Feeds:
Berichten
Reacties

Toen ons vorig jaar in Denemarken de impact van de aanstaande job begon te dagen, plaatsen we resoluut een omheining halverwege de tuin. We kochten twee poezelige schaapjes. Mevrouw onderdeappelboom kwam met wat kippen thuis. Meneer onderdeappelboom voorzag ons van extra gans en eenden. Een kat kwam ook al vanzelf aanlopen. En uiteindelijk besloot ook een wilde eend dat heel die dierenbende best aantrekkelijk is, liet haar wilde nomadenjaren achter zich, en vestigde zich voor een burgerlijk bestaan tussen het gele lis en de kikkerdril aan de zijde van één van onze eenden (of alle vijf, wie weet). Ha, die kikkers zijn er dus inderdaad ook. En salamander. Gisteren voor het eerst ook weer de eekhoorn (althans voor het eerst terug gezien), schranzend in onze schuur. En aldus hebben de madame die omzeggens niets met dieren heeft, en de meneer die nooit een tuin moest hebben uiteindelijk een tuin vol dieren die hen belachelijk veel plezier doen.

Het is een wat aparte bende, wat de geoefende lezer hier alleen maar logisch lijkt, gezien beesten altijd op hun baasje lijken. Maar qua verdraagzaamheid zit het goed: schapen, eenden en ganzen eten min of meer gemoedelijk naast elkaar. Alleen in paar- en broedtijd wordt links en recht in de benen gehapt, maar ook dat is van korte tijd. Gedurende enige tijd pikten de schapen en ganzen alle maïs van de kippen, maar dat loste meneer onderdeappelboom op door een soortement ‘park/box’ te bouwen rechts boven op de foto: het eten staat op een pallet en daarrond staan spijltjes waar de kippen tussen kunnen, maar de andere dieren niet.

WP_20160410_09_24_33_Pro

De eenden zijn wat meer van het reizende type. Hoewel ze een vijfsterrenarrangement met vijver, gras, en kroos tot hun beschikking hebben, verkiezen ze meestal de vlucht naar het mensendom en komen ons ‘s ochtends aan de ontbijttafel dag zeggen.

WP_20160415_07_39_16_Pro

Eén keer meenden de dames zelfs dat het tijd was voor een theekransje op het terras, maar het zicht van mevrouw onderdeappelboom die van achter de hoek plots ‘boe’ riep, bracht hen snel op andere gedachten… Sindsdien blijven ze braaf in tuin en moestuin. Ik kon ze tot nog toe niet betrappen op schade aan de bloemen, waardoor ik me begin af te vragen of ze net als Indische loopeendjes misschien alleen mini-beestjes eten? En wij maar denken dat we grasmachientjes hadden gekocht…

WP_20160405_07_58_17_Pro

Het is nog niet gedaan met de samenhorigheid. In tijden van broedsheid worden collectieve werkovereenkomsten gesloten. Onderstaande kreeg ik niet samen op een foto, maar zitten nu toch al ruim twee weken onversaagd zij aan zij:

WP_20160410_13_21_41_ProWP_20160410_09_24_58_Pro

Met zij aan zij bedoel ik inderdaad: alle drie. Twee kippen. Eén eend. En zoals de jongste zoon terecht uitriep: er liggen kippeneieren onder die eend! Ik moet daar dus eens ingrijpen, maar tot nog toe vond ik de moed niet (dat pikken van broedende kippen…)

Over broedsheid gesproken:

WP_20160410_09_24_18_Pro

De nieuwe gans bleek op een dag te zitten broeden. Wij hadden (o slechte boeren) niet gezien dat ze een nest bijeen geschraapt had, noch dat ze eieren had gelegd. Maar toen zat ze er, en ging niet weg. Uit angst voor vossen, marters en eksters (hoewel ganzenjongen wellicht toch te zwaar voor hen zijn) hebben we rond de gans een omheining gemaakt, en erboven een net gespannen (dat net zit strak, overigens, die loshangende einden zijn nog eens afzonderlijk vastgemaakt zodat de schapen er niet zouden in struikelen).

32 dagen had ze nodig. En toen zat ze plots naast haar nest. En staken er kleine pootjes onder haar vleugels uit. En nog eens 2 dagen later, met name vandaag, werden we beloond met een eerste familie-uitstap.

WP_20160420_18_05_41_Pro

Zo bent u weer helemaal up te date en weet u weer alles wat u ongetwijfeld al heel lang wou weten😉

En de bloemen? Die zijn niet vergeten, en wel integendeel. Maar eerst nog het gevecht tegen onkruid…

 

Bloggen, het komt er maar niet van. Honderden foto’s op het toestel, massa’s plezier in de tuin, maar nul-komma-nul tijd op overschot om nog te bloggen. Eilaas.

Dat wil niet zeggen dat er geen plantjes gekocht kunnen worden. Van de soortement-collega waarmee ik eerder al plantjes ruilde, vernam ik vorig jaar al dat er vlak in mijn buurt een plantenbeurs is waar ik al die jaren niets van af wist. En het blijkt nog wel een leuke: met bijzondere soorten, en ruilmogelijkheden! Lees maar!

Dit jaar blijkt de beurs plaats te hebben op paasmaandag, zowaar (wat uiteraard de titel verklaart:-) ). Ik dacht zo: zijn er nog bloggers die de grote oversteek naar deze beurs wagen? Het is niet omdat ik niet meer blog dat ik het niet leuk vind nog eens (opnieuw) kennis te maken…

 

‘Werkt dat gemakkelijk, zo’n kat onder uw oksels?’, moest meneer onderdeappelboom weten. Dat viel tegen, eerlijkgezegd. Spoiki, onze aanloopkat, raakt steeds meer aan mij gewoon. Zo gewoon zelfs dat ze dus onder mijn armen doorkruipt als ik oud hout wegsnoei en zelfs op haar rug in de Helleborus ging liggen terwijl ik daar met mijn snoeischaar de oude bladeren wegknipte. Wat het tempo aanzienlijk verlaagde:-)

Maar hoe het ook zij: ik was terug in de tuin, voor het eerst sinds de nieuwe job, en de wereld viel weer helemaal op z’n plaats:-) Dat het ondertussen voor het eerst deze ‘winter’ echt vriest, mag niet deren. Het vriest altijd enkele dagen nadat ik aan de lente-opkuis begin. Ondertussen zijn de tuindromen voor het aankomende jaar toch maar geplant. Terwijl anderen in staat zijn te plannen bij de kachel in de winter, kan ik dat alleen met mijn handen in de aarde. Dus dacht ik tijdens wieden en snoeien na over serre en tomatenrassen (welke moet ik zeker planten?) over een strookje bos aanplanten achteraan in de tuin (wat struiken, wat bomen, zeg eens, wat moet ik zeker planten?), over de aanleg van een zelfgemetst bbq’tje (dat kan je helaas niet planten) en over nieuwe planten. Ik vroeg een vriend wanneer de plantenbeurs in Sint-Lievens-Houtem is (zeg eens, is die inderdaad goed?), inventariseerde groentezaden, en ging met meneer onderdeappelboom de discussie aan of er dit jaar nu al dan niet tomaten mogen kiemen in de woonkamer (dat mag nooit, maar het komt er uiteindelijk toch altijd van ;- ) . En in mijn serreke rook het naar aarde, plant, kiem, zaad, vocht, warmte, lente. Aaaaaaah! ‘t Is weer begonnen!

Mag ik jullie, ondanks mijn immens gebrekkig geblog vorig jaar, toch een prachtig 2016 wensen!

DSC_0807

De foto is van vorig jaar, maar dat is natuurlijk het bedje waarin elke tuinblog ziek (maar ook gezond) is: de eeuwige wederkeer van dezelfde seizoenen en fenomenen. Niet dat dat erg is. En dit jaar komt er zelfs iets nieuws aan (nee, geen baby:-) ) , maar daarover zal een andere blogger ooit wel nog eens iets vertellen. Spannend hé?:-) Ik vind dat ook:-)

 

Het één al ongewoner dan het ander: Sneeuwklok, muscari, narcis, rozen, helleborus, boterbloem, madeliefje, winterjasmijn, goudsbloem en… stokroos

WP_20151229_16_43_40_Pro

(in de haast met gsm gefotografeerd, maar toch).
En gisteren reed meneer onderdeappelboom het gras af. Het was heel hard nodig. Echt.

Voor Irène was elke dag waarop het niet regende geschikt om buiten was te drogen. Terwijl mijn moeder ons ondergoed in de klamme beslotenheid van onze garage verborg en zelfs bij het zien van sokken al licht geschokt om zoveel aardsheid leek te blozen, stapte Irène resoluut met haar wasmand naar buiten en hing er haar kamerbrede onderbroeken en bustehouders met breedbeeldlintjes schroomloos te kijk voor al wie gluren wilde. In de zomer loofde ze de zon, in lente en herfst de wind. Tijdens winterse maanden, wanneer het zo hard vroor dat je de was zelfs tijdens de korte uren daglicht buiten kon drogen, behield het wasgoed ook na het afhaken van de waslijn nog de vorm waarmee het erop was gespeld. Dan kwam Irène giechelend het huis binnen en zette truien en werkbroeken rechtop voor ons neer op de vloer als denkbeeldige visite die na nauwelijks enkele ogenblikken blootstelling aan de warmte van de Leuvense stoof al deemoedig voor ons door de knieën ging en daarna zieltogend op de vloer ging liggen.

‘Ja, Rineke,’ zei André dan, ‘de patatten vriezen weer uit de grond.’

Maar Irène was op zo’n dagen slechts één en al blijheid. ‘André, begint niet hé. In ’t lengen van de dagen is het altijd het koudst. Het zal wel keren.’

 

Die dag waar ik nu aan terugdenk was ik een jaar of negen, tien.  Ik kwam nog niet zo heel erg vaak bij Irène langs, hoewel ons samenzijn toen al de vertrouwdheid had die ik nu het hardste mis. In haar tuin vond ik alles en meer dan wat ik me ooit bij een verborgen tuin had voorgesteld. Een grasveld, bezaaid met paardenbloem en madeliefjes, had zich zacht en buigzaam om de wortels van de oude fruitbomen geplooid. Appelbomen en kerselaars, groot, machtig en breed overspanden het gazon, terwijl breekbare perelaars vrank de hoogte in groeiden. Er was ook kleiner loof, van een zeldzame perzikboom en de kweeperen en moerbei aan de achterzijde van het domein. En aan de grens met de straat waren de vele pruimenbomen zo langzamerhand volledig vergroeid geraakt met de meidoornhaag. Alleen de seringen staken er in het voorjaar nog knipogend hun bedwelmende toortsen doorheen.

Tussen die bomen: een waslijn. Twee zelfs, en zelden zonder was. Dichter bij het huis: een oude molensteen. ‘s Zomers schikte ze er haar geraniums op, en in de vroege herfst aten we er appeltjes terwijl ik de molensteen met stoepkrijt te lijf ging en een zee van bloemen en zonnen achterliet. Helemaal achteraan, langs de uitgedroogde gracht, stond een klein, vervallen schapenhok waarin ik een tweede huis tot leven riep waarin ongehoorzame kinderen de hoofdrol kregen en ikzelf de steeds weer alles liefdevol begrijpende moeder was.

Zelfs was er een hek, verroest, zoals dat in geheime tuinen hoort te zijn, en kreunend in zijn hengsels zonder ooit helemaal omver te vallen. Ik voel  in mijn hand nu nog het korrelige roest van de spijlen en zie hoe het gras in de ochtenddauw plat bleef liggen nadat ik het open en dicht had geduwd.

Pas recent winnen de distels nu terrein en trekt de schapenzuring een spoor van vernieling door het gazon.

 

Op de vochtigste plekken en in de schaduw van de perelaars kleurden azuurblauwe droppen waterverf van kleine ereprijs het gazon. Ik probeer de plantjes nu vruchteloos in mijn eigen grasveld te krijgen, maar ze blijken niet te koop, en vanzelf aanwaaien doen ze ook al niet. Ik zou een stukje van de tere bloemen moeten uitspitten bij Irène en inplanten in onze eigen tuin. Maar Wouter waarschuwt  me voor een leven van imitatie en eindeloos vast houden aan wat voorbij is.

Toch is er geen ontkomen aan de weefsels van de tijd. Als ik zelf het wasgoed ophang tussen de jonge appelboom en wilg in onze eigen kleine tuin, en met de mand vol wasgoed op mijn heup over gazon en madeliefjes loop, dan rijgt mijn lijf zich ongewild in een eindeloze traditie van vrouwen met wasgoed op hun heup gesjord.  Met geen vezel van mijn lijf ontkom ik aan het patroon van zichzelf telkens weer herhalende vrouwen met was, waarbij mijn heup tot de hunne wordt, mijn hand niet anders dan de handen van zovelen voor en achter mij. Zelfs leeftijd verdwijnt aan de waslijn, waar tijdloze gebaren ook de oudste vrouwen terugbrengen tot het meisje dat aan het volwassen lijf vooraf ging.

Wanneer mijn lijf tot stilstand komt, voel ik hoe Wouter achter me is komen staan en zijn handen om mijn heupen kromt. Met zijn neus in mijn haren gedrukt blaast hij fluisterend zijn lieve woorden langs mijn oor. En met elk ‘wasmeisje’ dat hij door mijn haren fluistert, wordt de band met het verleden verder uitgehold, en komen er nieuwe verbanden voor in de plaats. Ik houd van de druk van zijn vingers op mijn heupen, het gewicht van een onuitgesproken verlangen naar meer huid, meer aanraking en de belofte van wat volgt tussen de schoongewassen lakens van ons bed. Maar ik haal zijn handen van mijn lichaam weg, houd ze in mijn eigen handen en kijk hem glimlachend aan. Ik weet dat weinig het verlangen zo snel dooft als een beleefde glimlach.

Terwijl Wouter me met herwonnen levensvreugde wil behangen, omzwachtel ik mijn lijf met de woorden en beelden die me resten. Als een omslagdoek sla ik de lappen van mijn herinnering rond mijn schouders en knoop ze vast onder mijn borst. Geen beelden of gezichten, maar geuren
en geluiden, zoals het slepen van de voordeur, koppig rechtop terwijl de muren langzaam door hun knieën zakten. De geur binnenshuis op een warme zomerdag wanneer de aardse damp van een plotse regenbui opsteeg van de cementtegeltjes in inkomhal en keuken. Het oprakelen van kolen ook, en de klap waarmee het deksel terug op de kachel werd gegooid. Als appels in een mand berg ik deze herinneringen op in de kuil tussen omslagdoek en borst en haal ze op naar behoefte. Hoe ze daar stond, soms, in de boomgaard, speurend naar schade wanneer een voor- of najaarsstorm de takken op hun weerbaarheid had getest en de geselende wind de oude bomen bijna uit hun knoken had geschud.
Hoe ze altijd nog wel één volmaakte appel vond tussen die ravage van bladeren en afgeknapt hout, vrij van rot of vraat, die ze
achteloos opblonk op haar dij terwijl ze de boomgaard verder monsterde op verval. De geur, vooral, van de houten wasspelden die ik voor haar opdiepte uit de katoenen tas die ze van een afgeleefde keukenhanddoek en een wars geplooide kapstok had gemaakt.
‘Geef er mij eens drie voor die lakens’, vroeg Irène. ‘Anders slaat de wind ze nog kapot’.
Ik gaf drie wasspelden aan waarvan ze er eentje tussen haar tanden klemde en de andere twee in schijnbaar één beweging op het wasgoed prikte. Nog terwijl ze de derde wasspeld op het laken vastmaakte, boog ze alweer voorover, haalde een nieuw stuk witgoed uit de mand en trok het strak in de linie van de waslijn. Opnieuw gaf ik twee wasknijpers aan.
‘Wacht even.’ murmelde ze langs de wasspeld tussen haar tanden heen. ‘Wacht’. Ze haalde de wasknijper tussen haar lippen vandaan. ‘Ge moogt ze wat trager geven, want die keukenhanddoeken hang ik per twee. Zo: de rechterhoek van de eerste over de linkerhoek van de tweede, en dan met één wasspeld erop.’
‘Is dat beter?”
‘Neen, maar anders heb ik wasspelden tekort’.
Grinnikend boog ze voorover en rommelde in haar wasmand op zoek naar nog meer vaatdoeken.
‘Hier’, wees ik.
Licht steunend nam ze de handdoek en met één hand leunend op haar dij kwam ze met enige moeite terug recht.
‘ Ik versta toch niet hoe ik aan zoveel keukenhanddoeken kom in de was.’
‘Misschien door confituur te maken?’ Ik had ondertussen kennis gemaakt met het enorme gemors waarmee het vullen van confituurpotjes bij Irène gepaard ging.

Ze hoofdschudde met nog steeds een lichte frons op haar gezicht. ‘Neen, ik versta het niet.’ En dan met een glimlach en korte aai tegen mijn wang: ‘Maar ’t had gekund, lief kind.’

Het meeste hield ik van de windstille dagen waarop ze ons zwijgende samenzijn doorbrak met gezang. Zonder schroom of aarzeling zette ze de liederen in die ze zelf als kind had geleerd, misschien haar moeder nog had horen zingen terwijl ze samen het wasgoed tussen de bomen hingen. Liederen over tragische maar onvoorwaardelijke liefdes, eindeloos aaneengeregenstrofen van vrouwen die afscheid namen van mannen in
de oorlog en haarlokken bewaardenonder hun kussen; liederen over armoede ook, met hongerige zwervers en verloren kinderen die meer dan vandaag de realiteit van elke dag uitmaakten.
Ze leerde me Schubert kennen, die de van wereldse gevoelens niet gespeende zuster Antoinette haar pupillen had aangeleerd ter gelegenheid van het bezoek van de aartsbisschop aan de Sint-Vincentius lagere school. Keer op keer liet Irène de strofen opnieuw door de boomgaard rollen
en flitste Die Forelle langs het wasgoed heen. De woorden tuimelen nu nog over mijn lippen naar buiten terwijl ik me toch niet voor de geest kan halen hoe ze eruit zag wanneer ze zong.
Maar geen enkel lied kon zich meten met het Credo van de Landman, dat Irène met ongewone eerbied voor zich uit zong terwijl het wasgoed stil viel inhaar handen en de windstille zomer rondom ons aan kracht herwon. Het was alsof voor Irène geen lied de schepping dichter evenaarde dan dit, en nu nog, in al mijn agnosme, heb ik moeite het lied zonder gevoel van ontzag voor me uit te neuriën.
Mijn eigen kleine versjes, die ik op school uit het hoofd moest leren en voor Irène opdroeg, stuiterden als onbezonnen lammetjes doorheen de volheid van de liederen die Irène voor me zong. Zo vorderden we, stuk per stuk, en lied na lied, van appelboom tot perelaar met de wind in onze oren en de geur van schoon wasgoed om ons lijf
Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 58 andere volgers