Feeds:
Berichten
Reacties

Mag ik jullie, ondanks mijn immens gebrekkig geblog vorig jaar, toch een prachtig 2016 wensen!

DSC_0807

De foto is van vorig jaar, maar dat is natuurlijk het bedje waarin elke tuinblog ziek (maar ook gezond) is: de eeuwige wederkeer van dezelfde seizoenen en fenomenen. Niet dat dat erg is. En dit jaar komt er zelfs iets nieuws aan (nee, geen baby :-) ) , maar daarover zal een andere blogger ooit wel nog eens iets vertellen. Spannend hé? :-) Ik vind dat ook :-)

 

Het één al ongewoner dan het ander: Sneeuwklok, muscari, narcis, rozen, helleborus, boterbloem, madeliefje, winterjasmijn, goudsbloem en… stokroos

WP_20151229_16_43_40_Pro

(in de haast met gsm gefotografeerd, maar toch).
En gisteren reed meneer onderdeappelboom het gras af. Het was heel hard nodig. Echt.

Voor Irène was elke dag waarop het niet regende geschikt om buiten was te drogen. Terwijl mijn moeder ons ondergoed in de klamme beslotenheid van onze garage verborg en zelfs bij het zien van sokken al licht geschokt om zoveel aardsheid leek te blozen, stapte Irène resoluut met haar wasmand naar buiten en hing er haar kamerbrede onderbroeken en bustehouders met breedbeeldlintjes schroomloos te kijk voor al wie gluren wilde. In de zomer loofde ze de zon, in lente en herfst de wind. Tijdens winterse maanden, wanneer het zo hard vroor dat je de was zelfs tijdens de korte uren daglicht buiten kon drogen, behield het wasgoed ook na het afhaken van de waslijn nog de vorm waarmee het erop was gespeld. Dan kwam Irène giechelend het huis binnen en zette truien en werkbroeken rechtop voor ons neer op de vloer als denkbeeldige visite die na nauwelijks enkele ogenblikken blootstelling aan de warmte van de Leuvense stoof al deemoedig voor ons door de knieën ging en daarna zieltogend op de vloer ging liggen.

‘Ja, Rineke,’ zei André dan, ‘de patatten vriezen weer uit de grond.’

Maar Irène was op zo’n dagen slechts één en al blijheid. ‘André, begint niet hé. In ’t lengen van de dagen is het altijd het koudst. Het zal wel keren.’

 

Die dag waar ik nu aan terugdenk was ik een jaar of negen, tien.  Ik kwam nog niet zo heel erg vaak bij Irène langs, hoewel ons samenzijn toen al de vertrouwdheid had die ik nu het hardste mis. In haar tuin vond ik alles en meer dan wat ik me ooit bij een verborgen tuin had voorgesteld. Een grasveld, bezaaid met paardenbloem en madeliefjes, had zich zacht en buigzaam om de wortels van de oude fruitbomen geplooid. Appelbomen en kerselaars, groot, machtig en breed overspanden het gazon, terwijl breekbare perelaars vrank de hoogte in groeiden. Er was ook kleiner loof, van een zeldzame perzikboom en de kweeperen en moerbei aan de achterzijde van het domein. En aan de grens met de straat waren de vele pruimenbomen zo langzamerhand volledig vergroeid geraakt met de meidoornhaag. Alleen de seringen staken er in het voorjaar nog knipogend hun bedwelmende toortsen doorheen.

Tussen die bomen: een waslijn. Twee zelfs, en zelden zonder was. Dichter bij het huis: een oude molensteen. ‘s Zomers schikte ze er haar geraniums op, en in de vroege herfst aten we er appeltjes terwijl ik de molensteen met stoepkrijt te lijf ging en een zee van bloemen en zonnen achterliet. Helemaal achteraan, langs de uitgedroogde gracht, stond een klein, vervallen schapenhok waarin ik een tweede huis tot leven riep waarin ongehoorzame kinderen de hoofdrol kregen en ikzelf de steeds weer alles liefdevol begrijpende moeder was.

Zelfs was er een hek, verroest, zoals dat in geheime tuinen hoort te zijn, en kreunend in zijn hengsels zonder ooit helemaal omver te vallen. Ik voel  in mijn hand nu nog het korrelige roest van de spijlen en zie hoe het gras in de ochtenddauw plat bleef liggen nadat ik het open en dicht had geduwd.

Pas recent winnen de distels nu terrein en trekt de schapenzuring een spoor van vernieling door het gazon.

 

Op de vochtigste plekken en in de schaduw van de perelaars kleurden azuurblauwe droppen waterverf van kleine ereprijs het gazon. Ik probeer de plantjes nu vruchteloos in mijn eigen grasveld te krijgen, maar ze blijken niet te koop, en vanzelf aanwaaien doen ze ook al niet. Ik zou een stukje van de tere bloemen moeten uitspitten bij Irène en inplanten in onze eigen tuin. Maar Wouter waarschuwt  me voor een leven van imitatie en eindeloos vast houden aan wat voorbij is.

Toch is er geen ontkomen aan de weefsels van de tijd. Als ik zelf het wasgoed ophang tussen de jonge appelboom en wilg in onze eigen kleine tuin, en met de mand vol wasgoed op mijn heup over gazon en madeliefjes loop, dan rijgt mijn lijf zich ongewild in een eindeloze traditie van vrouwen met wasgoed op hun heup gesjord.  Met geen vezel van mijn lijf ontkom ik aan het patroon van zichzelf telkens weer herhalende vrouwen met was, waarbij mijn heup tot de hunne wordt, mijn hand niet anders dan de handen van zovelen voor en achter mij. Zelfs leeftijd verdwijnt aan de waslijn, waar tijdloze gebaren ook de oudste vrouwen terugbrengen tot het meisje dat aan het volwassen lijf vooraf ging.

Wanneer mijn lijf tot stilstand komt, voel ik hoe Wouter achter me is komen staan en zijn handen om mijn heupen kromt. Met zijn neus in mijn haren gedrukt blaast hij fluisterend zijn lieve woorden langs mijn oor. En met elk ‘wasmeisje’ dat hij door mijn haren fluistert, wordt de band met het verleden verder uitgehold, en komen er nieuwe verbanden voor in de plaats. Ik houd van de druk van zijn vingers op mijn heupen, het gewicht van een onuitgesproken verlangen naar meer huid, meer aanraking en de belofte van wat volgt tussen de schoongewassen lakens van ons bed. Maar ik haal zijn handen van mijn lichaam weg, houd ze in mijn eigen handen en kijk hem glimlachend aan. Ik weet dat weinig het verlangen zo snel dooft als een beleefde glimlach.

Terwijl Wouter me met herwonnen levensvreugde wil behangen, omzwachtel ik mijn lijf met de woorden en beelden die me resten. Als een omslagdoek sla ik de lappen van mijn herinnering rond mijn schouders en knoop ze vast onder mijn borst. Geen beelden of gezichten, maar geuren
en geluiden, zoals het slepen van de voordeur, koppig rechtop terwijl de muren langzaam door hun knieën zakten. De geur binnenshuis op een warme zomerdag wanneer de aardse damp van een plotse regenbui opsteeg van de cementtegeltjes in inkomhal en keuken. Het oprakelen van kolen ook, en de klap waarmee het deksel terug op de kachel werd gegooid. Als appels in een mand berg ik deze herinneringen op in de kuil tussen omslagdoek en borst en haal ze op naar behoefte. Hoe ze daar stond, soms, in de boomgaard, speurend naar schade wanneer een voor- of najaarsstorm de takken op hun weerbaarheid had getest en de geselende wind de oude bomen bijna uit hun knoken had geschud.
Hoe ze altijd nog wel één volmaakte appel vond tussen die ravage van bladeren en afgeknapt hout, vrij van rot of vraat, die ze
achteloos opblonk op haar dij terwijl ze de boomgaard verder monsterde op verval. De geur, vooral, van de houten wasspelden die ik voor haar opdiepte uit de katoenen tas die ze van een afgeleefde keukenhanddoek en een wars geplooide kapstok had gemaakt.
‘Geef er mij eens drie voor die lakens’, vroeg Irène. ‘Anders slaat de wind ze nog kapot’.
Ik gaf drie wasspelden aan waarvan ze er eentje tussen haar tanden klemde en de andere twee in schijnbaar één beweging op het wasgoed prikte. Nog terwijl ze de derde wasspeld op het laken vastmaakte, boog ze alweer voorover, haalde een nieuw stuk witgoed uit de mand en trok het strak in de linie van de waslijn. Opnieuw gaf ik twee wasknijpers aan.
‘Wacht even.’ murmelde ze langs de wasspeld tussen haar tanden heen. ‘Wacht’. Ze haalde de wasknijper tussen haar lippen vandaan. ‘Ge moogt ze wat trager geven, want die keukenhanddoeken hang ik per twee. Zo: de rechterhoek van de eerste over de linkerhoek van de tweede, en dan met één wasspeld erop.’
‘Is dat beter?”
‘Neen, maar anders heb ik wasspelden tekort’.
Grinnikend boog ze voorover en rommelde in haar wasmand op zoek naar nog meer vaatdoeken.
‘Hier’, wees ik.
Licht steunend nam ze de handdoek en met één hand leunend op haar dij kwam ze met enige moeite terug recht.
‘ Ik versta toch niet hoe ik aan zoveel keukenhanddoeken kom in de was.’
‘Misschien door confituur te maken?’ Ik had ondertussen kennis gemaakt met het enorme gemors waarmee het vullen van confituurpotjes bij Irène gepaard ging.

Ze hoofdschudde met nog steeds een lichte frons op haar gezicht. ‘Neen, ik versta het niet.’ En dan met een glimlach en korte aai tegen mijn wang: ‘Maar ’t had gekund, lief kind.’

Het meeste hield ik van de windstille dagen waarop ze ons zwijgende samenzijn doorbrak met gezang. Zonder schroom of aarzeling zette ze de liederen in die ze zelf als kind had geleerd, misschien haar moeder nog had horen zingen terwijl ze samen het wasgoed tussen de bomen hingen. Liederen over tragische maar onvoorwaardelijke liefdes, eindeloos aaneengeregenstrofen van vrouwen die afscheid namen van mannen in
de oorlog en haarlokken bewaardenonder hun kussen; liederen over armoede ook, met hongerige zwervers en verloren kinderen die meer dan vandaag de realiteit van elke dag uitmaakten.
Ze leerde me Schubert kennen, die de van wereldse gevoelens niet gespeende zuster Antoinette haar pupillen had aangeleerd ter gelegenheid van het bezoek van de aartsbisschop aan de Sint-Vincentius lagere school. Keer op keer liet Irène de strofen opnieuw door de boomgaard rollen
en flitste Die Forelle langs het wasgoed heen. De woorden tuimelen nu nog over mijn lippen naar buiten terwijl ik me toch niet voor de geest kan halen hoe ze eruit zag wanneer ze zong.
Maar geen enkel lied kon zich meten met het Credo van de Landman, dat Irène met ongewone eerbied voor zich uit zong terwijl het wasgoed stil viel inhaar handen en de windstille zomer rondom ons aan kracht herwon. Het was alsof voor Irène geen lied de schepping dichter evenaarde dan dit, en nu nog, in al mijn agnosme, heb ik moeite het lied zonder gevoel van ontzag voor me uit te neuriën.
Mijn eigen kleine versjes, die ik op school uit het hoofd moest leren en voor Irène opdroeg, stuiterden als onbezonnen lammetjes doorheen de volheid van de liederen die Irène voor me zong. Zo vorderden we, stuk per stuk, en lied na lied, van appelboom tot perelaar met de wind in onze oren en de geur van schoon wasgoed om ons lijf

Vorig jaar vonden we een egel in de moestuin. Wat aanvankelijk een zonnend egeltje leek, bleek al snel een uitgeputte, zieke egel met teken. Egels zonnen namelijk niet. Tenzij ze uitgeput zijn… We brachten het beestje naar het opvangcentrum voor wilde dieren in Geraardsbergen, mochten een tijdje mee helpen en rondkijken, maar hoorden helaas enkele dagen later dat onze egel het niet had gered.

Deze zomer hoorden we opnieuw het bekende gesnurk van egels, en af en toe zagen we ze ook dansjes uitvoeren op het gazon. Een tweetal weken geleden zat er opnieuw een uitgeput exemplaar te zonnen op de kiezelsteentjes, met twee teken in z’n lijf.
DSC_1040[1]

Je ziet het: een heel vermoeide egel. Ondertussen had ik zelf al een tekentang gekocht, en heb ik de teken zelf verwijderd. Ik weet niet of dat zo’n goed idee was, maar de optie om naar het opvangcentrum te rijden was er op dat moment niet. We hebben de egel nog twee dagen op de kiezels gezien; en daarna niet meer. Meneer onderdeappelboom vond later wel een dode egel in de haag, en dochter en ik vonden een kleinere egel verderop op het gazon, maar deze was gezond en snel. Eén conclusie is er: egels houden van onze tuin.

Daarnaast houden ook mollen van onze tuin. Meneer onderdeappelboom houdt nog steeds niet van mollen. Hij houdt plots wèl erg van onze kat…
DSC_1044[1]

Na een uurtje roerloos afwachten, is ze het wel beu geworden en is ze de hoop te lijf gedaan, druk snuffelend naar het niet te vinden beest. Maar meneer onderdeappelboom heeft hoop :-)

En om netjes te besluiten, en de beide onderwerpen samen te brengen: jawel:

//embedr.flickr.com/assets/client-code.jsDSC_1048[1]

 

Van zodra we brokjes in het kommetje van poes doen, komt egel vanop het gazon aangecrosst. Poes laat egel begaan. En egel lijkt zich van geen poes bewust. Als dat geen liefde is :-)//embedr.flickr.com/assets/client-code.js

Een dagje

Mijn favoriete manier van wakker worden, is dit:

Tegen het einde van dit filmpje, zijn de buren dan vermoedelijk ook wakker :-)

Misschien bemerk je ook een lichte uitbreiding van onze beestenboel. Deze houden nu een fantastisch stuk grond proper, èn  – vooral! – het is een leuke bende die voortdurend met de hele groep op schok is van hot naar her. Wij klagen niet :-)

En na een lange dag, spring ik haastig de moestuin binnen…

DSC_1023[1]//embedr.flickr.com/assets/client-code.jsOm mij dan ‘s avonds te verbazen hoe dit DSC_1022[1]//embedr.flickr.com/assets/client-code.js

in dit verandert.
DSC_1030[1]//embedr.flickr.com/assets/client-code.js

Ik moet mij inhouden om niet elke avond zo’n voor-na foto te nemen; zo verbazend vind ik zo’n transformaties, zelfs als ik ze zelf maak :-)

Nu ben ik het zeker: nooit, nooit, nooit plant ik nog Rozemarijn. Dat heb ik al eens gezegd, geloof ik. Maar nu dat koddige plantje van het knusse Dille en Kamille een knoert van 3m lang en 2m hoog geworden is, heb ik het nog eens gezworen: geen Rozemarijn meer in mijn tuin.
Het lijkt belachelijk, als je het zo ziet liggen, maar de wortelkluit alleen al woog ruim 20 kg (wat ik weet omdat ik 20 kg nog met gemak kan heffen maar 25 kg toch al zwaar begin te vinden; en het zat er tussenin ;-))
DSC_0046//embedr.flickr.com/assets/client-code.jsIk was na 2 uur zweten zo kwaad op die Rozemarijn dat ik binnen even ging afkoelen. Toen ik enkele uren later terug buiten kwam, lag alleen de kluit er nog. De takken, die vond ik later verderop in de tuin terug… DSC_0087//embedr.flickr.com/assets/client-code.js

En toen begreep ik ook waarom ze niet binnen kwamen toen het begon te regenen…
DSC_0088//embedr.flickr.com/assets/client-code.jsZelfs het hout voor de winter bleek al klaar te liggen… DSC_0090//embedr.flickr.com/assets/client-code.js

Wat er in de plaats komt, moet ik nog eens bekijken. Met de wijzigingen in de tuin, verhuizen nogal wat planten momenteel van plaats. Maar wat er zeker komt, is de prachtige Persicaria die ik in het voorjaar van een soortement collega kreeg.

DSC_0040//embedr.flickr.com/assets/client-code.jsEn uiteindelijk maakt het weinig uit wat er rond het terras wordt geplant; het uitzicht is hoe dan ook fantastisch ;-) Fynsk//embedr.flickr.com/assets/client-code.js

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 55 andere volgers