Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for mei, 2010

Neushoornkever

Meneer onderdeappelboom heeft een talent om altijd de leukste beestjes van de tuin tegen het lijf te lopen. Na de egeltjes vorig jaar, kreeg hij nu een close encounter met “echt waar, een kever zo lang en dik als twee vingers”. Mevrouw onderdeappelboom was er niet bij wegens weekendwerk (ah ja, ik moet mijn vele verlof natuurlijk wel ergens verdienen – – in casu was het een bezoek aan een ex-michelinrestaurant en museum – zo weet u dat ook weer, en weet u meteen wat ik toch allemaal over heb voor mijn werk), maar meneer onderdeappelboom dus, die was in de tuin aan het werk. Houtschors aan het uitvoeren. En toen zag hij dit:

Enig snel gegoogel op ‘kever hoorn’ liet dadelijk weten dat dit de neushoornkever moet zijn. Verbaas uzelf door even in google pictures op neushoornkever te zoeken en walg vooral bij de gigantische larven van dat beest. Maar kijk, nu blijkt die neushoornkever niet zo heel veel voor te komen. Zeldzaam is veel gezegd, want compostmeesters komen ze al eens tegen, maar algemeen zijn ze hoegenaamd niet. En: er zater er zelfs 3! Maar de andere 2 waren weg tegen de tijd dat meneer onderdeappelboom zijn fototoestel had gehaald.

De houtschorshoop blijkt wel de ideale biotoop voor zo’n beest: de broeierige warmte om te ontstaan, en het hout om later van te eten. Ik begrijp dat ze niet meteen onze bomen of houtvoorraad naar de knoppen gaan helpen, dus we zijn wel content met ons zeldzaam reuzenbeest.

Read Full Post »

Het spuugbeest

Het zal je maar overkomen: je behoort tot het dierenrijk, en dan ben je ‘tor’, of ‘mier’, of ‘kever’. En dat terwijl er zoveel zoetgevooisdere soorten bestaan zoals het pantoffeldiertje, of het spuugbeest. Niet speekseldier, niet zeveraar, maar gewoon ‘spuugbeest’. En als je het vaak genoeg zegt dan ontstaat op je lip dezelfde slijmerige drip als op mijn planten:

Oké, het noemt soms ook schuimcicade, of schuimbeestje, en zelfs koekoeksspog. Maar ‘spuugbeest’ is leuker. En er is ook niets mis mee: in het schuim zit een onvolwassen cicade die sap uit de plant zuigt. Daar hangen de stengeltjes een beetje slap van, maar je plant doorstaat het probleemloos. En in tegenstelling tot bladluizen zijn ze maar met z’n enkelen en niet in zo van die onversaagbare massa’s aanwezig. Het spuugbeestje dus. Aangename kennismaking.

Read Full Post »

Bloei!

De eerste sluimerwt staat in bloei!

En de eerste erwten ook!

En de foto’s dateren al van maandagavond, dus ondertussen staan er zeker al 20 te bloeien! Dat compenseert dus bijna die 35 zaailingen sla die de bosduiven achterover hebben gewerkt. En die slak die deze morgen naast mij richting groentetuin kroop. En de tomaten die er maar paars bij staan. En het veel te kleine aantal wortels en rode biet dat ik heb gezaaid. En het feit dat bijna geen enkel warmoes-zaadje van de Nieuwe Tuin is uitgekomen. Een succesverhaal, kortom 🙂

Read Full Post »

Kwade tongen beweren dat bloggen dood is, maar zelf mochten wij alleen nog maar het springlevende karakter ervan ervaren. Nadat we dankzij onze schaapjeszoektocht de familie Buikberg in persoon mochten leren kennen, kregen we nu zowaar ook de eer een bezoekje te brengen aan de Eigenwijze Tuin.

Hoe dat zo gaat: je hebt een blog in dezelfde sfeer, je ontdekt toevalligerwijs dat je niet zo ver van elkaar woont, en je hebt wat specifieke vragen mbt doe-het-zelf-items. Of wat ook mogelijk is: gewoon een moment van totale zinsverbijstering bij meneer Eigenwijze Tuin. Wat de oorzaak ook is: plots hadden wij een uitnodiging op zak om de tuin van toch wel één van de oerbloggers der ecotuinen te gaan bekijken: hoera!

Samen met meneer onderdeappelboom heb ik bij de rondleiding door de tuin heel wat afgestotterd op zoek naar de juiste termen voor onze indrukken. Achteraf beschrijven is niet eens makkelijker dan toen ik er midden in stond. Maar ik heb Bart een eerlijk verslag beloofd, en ik zweer dan ook op de bloemen van mijn hof dat alle lof van harte gemeend is en ik geen enkel compliment bij elkaar lieg.

Om te beginnen: de Eigenwijze Tuin is in werkelijkheid in alle opzichten mooier, zachter, intenser en boeiender dan wat ik er door de foto’s op de blog van kon maken. De zachtheid komt voor een groot deel door de beslotenheid van de tuin aan de straatzijde dmv houtkant en grasperken. Je ziet geen straat, hoort geen auto en kijkt alleen overal om je heen op bloemen, struiken en bomen. Omdat de tuin aan de buitenzijden omhoog glooit, wordt de indruk van een omzwachtelde warme plek nog versterkt. Alle bloemen en planten vormen een soort paradijselijke cocon waar The Secret Garden alleen bij verbleekt.

De bloemen zelf dan blijken van nabij veel meer soorten rijk te zijn dan de boterbloemenzee die ik op foto’s zag. “Je zou nooit durven denken dat je zo’n mooie tuin kunt creëren door gestructureerd onkruid te laten groeien”, meende meneer onderdeappelboom. En gelukkig kon Bart er het compliment van inzien (denk ik?).  Het is een feit dat meneer Eigenwijze Tuin een uitzonderlijk talent heeft voor het laten groeien van gras en graskantbloemen enerzijds, en voor het vrijlaten van paadjes en bomen daartussen anderzijds. Het gevolg is dat je vanop het terras uitkijkt op weelderige perken wilde bloemen, en je blik daartussen getrokken wordt naar de weide erachter, de boomgaard ernaast, enz.  Ik heb ook de indruk dat er weinig gezwoeg met grondverarming en inzaaien aan te pas komt. Er wordt natuurlijk gemaaid en er wordt al eens een plantje geplant, maar het meeste lijkt er gewoon vanzelf te zijn gekomen. Prachtig!

Op het diepste punt ligt een klein vijvertje verscholen, waar de oudste zoon de ene juffer na de andere vandaan toverde en met nodig enthousiasme bewees dat de appel in de Eigenwijze Tuin niet ver van de boom valt. Nog verder naar achter is opnieuw een stuk met gras en bloemen waarlangs een gebogen paadje richting dennenbos voert.  De eigenwijze kindertjes staan momenteel nog niet helemaal te springen om dat bosje in te nemen, heb ik begrepen, maar je kunt zo zien dat je ze er binnen een jaar of 2 al niet meer uit krijgt. Het paadje zelf kreeg enkele baby-knotwilgen in zijn flank die dit stuk in de toekomst – in mijn ogen – een mooie structuur zullen geven.

En dan wandelden we weer verder, wat al een compliment is op zich, want geen leukere tuin dan een tuin waar je niet onmiddellijk alles in een oogopslag ziet, maar waarin je moet wandelen om het ene leuke plekje na het andere te ontdekken.  We passeerden de moestuin en serre (mag ik hopen dat die er alleen voor de gelegenheid zo onkruidloos bij lag? ;-)), en de eigenwijze kindertjes lieten de onderdeappelboompjes tussendoor meegenieten van hun verzameling pluis, zijnde konijnen, kuikens, enz. Ik kreeg ook de grote eer een blad sla uit het groentetuintje van de oudste zoon te mogen eten en op mijn enthousiast gesmikkel kwam hij nog met een volledige radijs af, “om mee te nemen naar huis”. 🙂

Op de kotjes en schuurtjes die bij  het huis horen, gaan we niet in. We zijn te jaloers op zoveel schoonheid, ruimte en charme. En dus keren we om richting tweede schapenweide, genieten we van de boomgaard, bewonderen we nog een derde weide, en zien een enorme verscheidenheid aan bomen en struiken, waartussen het vuurvlindertje even komt ronddwarrelen om te tonen dat het goed is.

Over dieren gesproken: de Eigenwijze Tuin gonst en bromt als een pas geolied motortje. Als planten in functie staan van insecten, dan is dit de insectenhemel. We hebben nog maar zelden een tuin gezien die zo broeit van leven, en ik heb onze eigen tuin nog maar zelden als zo dood ervaren als daar.

Van danige onder-de-indruk-heid ben ik natuurlijk ook op de helft vergeten letten, kon ik geen enkele bloemennaam terugvinden, vergat ik de herboren artisjok te bewonderen, vroeg ik niet naar de appelrassen, streelde ik geen schapen, zei ik niet wat een paradijs voor kinderen de tuin was met al die boompjes met schommels, klimtouwen, hangmatten, enz., liet ik niet weten hoe leuk die kruiden daar aan de rand van het terras staan, vergat ik naar die leuke beeldhouwwerkjes te vragen, was het alleen meneer onderdeappelboom die oog voor de druivelaar had, enz. enz. Als je weet dat we dan ook nog, bij ons haastig vertrek thuis, de bekertjes, zonnehoedjes en nog zo het één en ander voor onze kinderen vergeten waren, en ons dus alles door een immens bereidwillige (en door dochter onderdeappelboom in haar hart gesloten) mevrouw Eigenwijze Tuin moesten laten aanreiken, begrijp je dat de schaamte nogal toesloeg.

Ik kan maar één iets zeggen: het is een pareltje, die Eigenwijze Tuin, en het was een hele opkikker er aanwezig te mogen zijn. Nu moet ik alleen snel nog onze eigen tuin heraanleggen en met titanenarbeid misschien, enigszins, al was het maar half zo boeiend proberen maken als de eigenwijze tuin voor het tegenbezoekje in augustus. U begrijpt dat ik tot dan geen tijd meer over heb om te bloggen  🙂

O ja, het dreupelken (en bij uitbreiding ook de rest) was lekker!

Read Full Post »

Het gebeurt wel eens, zo onder collega’s, of collega-ouders, dat met enige wanhoop avond- en ochtendrituelen worden vergeleken. Jeweetwel: hoe laat sta jij op, staat de ontbijttafel de avond vooraf al klaar, wanneer vul je de boekentas en tegen hoe laat krijg jij het eten op tafel?

Wat opvalt: ons avondritueel blijkt een baken van rust (zij het dat wij dat niet altijd zo ervaren). Er wordt genoten van een babbeltje over de voorbije dag en de kinderen zitten altijd op tijd in bed. Hoe dat zo kan? Wel, bijvoorbeeld omdat de kinderen ’s avonds geen warm eten meer moeten krijgen (dat eten ze op school, de arme bloedjes, omdat we denken dat vieze grootkeuken nog net iets aangenamer is dan een haastige warme hap als ze eigenlijk al in bed hadden moeten liggen). En ook: omdat wij de kinderen niet elke avond wassen.

“Nee?!”

Nee.

“En ’s morgens dan?”

Ook niet. Onze kinderen gaan meestal maar 2 keer per week in bad.

“Maar dan was je ze wel van kop tot teen aan de lavabo op de andere dagen?”

Neen. Chocomondjes afvegen en zandhandjes afspoelen volstaat. Vinden wij.

Ooooo! De ontzetting! Want wat zijn wij vuile mensen! En nee, ik ben niet eens dichterlijk aan het overdrijven, we (laat ons eerlijk zijn: in deze pseudogeëmancipeerde wereld vooral mevrouw onderdeappelboom) worden aangestaard alsof we op het randje van achterlijk zijn. Als dan ook nog eens blijkt dat we niet (niet!) elke week alle beddenlakens verschonen, dat een pulletje met een klein fruitsapplekje de volgende dag best wel terug aan kan, en dat we sowieso proberen 3 dagen na elkaar dezelfde kleren aan te doen als dat kan, dan staan we zelfs niet meer op dat randje. Dan zìjn we achterlijk. Dat moet toch wel? Want wie is nu nog zo vuil vandaag de dag? Jakkes, vieze onderdeappelbomen!

Maar kijk, wij doen dat dus met volle overtuiging, zo vuil zijn. Ja, zelfs met enige wetenschappelijke ondersteuning. Want hoewel voor praktisch elke stelling wel een wetenschappelijk onderzoek te vinden is dat het kan bewijzen, wijzen bijna alle onderzoeken omtrent hygiëne in één richting: teveel wassen verlaagt de weerstand, verhoogt de kans op allergieën en leidt tot eczeem. In steden, waar mensen gebruikelijk meer ingesteld zijn op ‘hygiëne’, zijn meer allergiëen en astma te vinden. Babies die maar 2 keer per week (en bij voorkeur zonder zeep) worden gewassen, blijken een hogere tolerantie tegen allerlei huidproblemen te hebben. En verder terug nog in uw leven: kinderen die vaginaal werden geboren, en dus meestal als eerste het achterwerk van hun moeder zien èn in contact komen met alles wat in die zone heerst en leeft, ontwikkelen een hogere weerstand dan kinderen die deze ‘kans’ missen (door bijvoorbeeld keizersnede). Ha bah, mevrouw onderdeappelboom, ken je nu geen leukere invalshoeken? Ewel nee. Want ik heb het zo wel gehad met die misprijzende blikken om een zogenaamd gebrek aan hygiëne.

Want dat is nu net het moeilijke: ‘hygiëne’ heeft in de loop der tijd zo’n associaties met ‘beschaving’ gekregen dat je er nog moeilijk voor kunt kiezen om minder hygiënisch te zijn; of beter: dat je er niemand van kunt overtuigen dat een minder overweldigende graad van properheidsdrang even gezond (laat staan: gezonder) kan zijn. We moeten wassen, met véél waspoeder èn een extra geurtje van wasverzachter erbovenop.  We moeten ons inwrijven met alle denkbare productjes om te vermijden dat we ook maar naar iets ruiken dat menselijk zou zijn. Zelfs de intieme zones moeten er aan geloven met speciale zeepjes, spoelingen èn het scheermes (en nee, ik wil in de reacties absoluut niet weten wat U met uw schaamhaar doet, maar het moge duidelijk zijn dat de overtuiging dat elke vorm van schaamhaar onhygiënisch zou zijn een maatschappelijk product is dat z’n doel serieus voorbij geschoten is).

En dus lopen mensen zich een ongeluk van badkuip naar wasmachine, èn blijkt de regenwater put van 10000 liter niet eens meer groot genoeg. We mochten het in nabije kring ervaren: met hun douche ’s morgens èn ’s avonds (die worden vuil van te slapen, dixit schoonpapa) èn dagelijks verse kleren bleek de regenwaterput van 10000 liter in de voorbije 4 maanden al 2 keer leeg. Da’s 20000 liter, zonder het stadswater mee te tellen dat tussendoor dus ook nog werd gebruikt.

Sinds de beroepsmatig halfverplichte maar verder nooit gebruikte binnenkomst van een oneindig aantal tv-kanalen, waaronder het merendeel mèt reclameblokken, kon ik me zelfs ’s avonds in de zetel laten verbazen door een ideaal gezinnetje dat op een zeemzoet melodietje kwam aantonen dat je toch niet aan tafel kunt komen zonder eerst je handen met detol te spoelen. Er zijn dus blijkbaar mensen die nog liever spaghetti eten met een aroma van school-wc’s aan tafel dan het risico te lopen als onhygiënisch te worden bestempeld.

Welnu, het gezin onderdeappelboom doet daar dus niet aan mee. Beschouw het als een outing: wij zijn vuil. En met reden.

Read Full Post »

Barstensvol verwachting

Een langzaam stijgende temperatuur en één dagje regen, meer hadden de bloemen als vertreksignaal niet nodig. Ze slorpten de regendruppels op en laven zich nu aan de zon terwijl ze langzamerhand tonen wat ze voor de zomer in petto hebben.

De vrouwenmantel verpakt haar bloemen nog even in het fluweel van haar blaadjes, maar heel binnenkort zal ze haar schoonheid tot meerdere etages laten opklimmen.


De rozen staan vooral in knop, maar hier en daar, in de beschutting van de bladeren, laten de eerste bloemen zich al zien.

Het zeeuws knoopje, oftewel astrantia, is een bloem waar ik op tuinblogs zelden over lees. ’t Is in mijn ogen nochtans een redelijk ideale plant: robuust, maar met fijne bloemen. Een vaste plant, maar met een zachte neiging tot verwilderen. Verdraagt wat schaduw, bestaat in tal van tinten, houdt goed in boeketten èn is zowel voor, tijdens als na de bloei mooi van kleur. Ook op bovenstaande foto’s is hij zijn kleur nog aan het vormen.

En ook pioen, lavendel en ééndagslelie laten uitgelaten hun bloemknoppen zien. Vooral die pioen stemt mij tevreden, want deze zijn niet allemaal even gewillig als het op bloeien aankomt. Sommige pioenen laten enkele jaren op zich wachten vooraleer ze hun eerste bloem laten zien, en de pioen uit familiale kring, die we noodgedwongen midden in zijn bloei moesten verplanten, vormt na 4 jaar nog altijd geen knoppen. Maar we houden vol. Want al de rest is klaar voor de zomer. De natuur staat op barsten, meneer, mevrouw.

Read Full Post »

De wilde tuin. Het wil nogal eens een synoniem zijn voor de ecologische tuin, met aandacht voor inheemse plantjes die door hun natuurlijke aard makkelijk gedijen en aangepast zijn aan/voor de plaatselijke diertjes en collega-plantjes. Ik ben er fan van. Fan van het eerste uur. Maar tezelfdertijd is de liefde voor tuinarchitectuur, met zijn kunstzinnige spel met duizend-en-één cultivars mij ook te groot om alléén voor die ‘wilde’ tuin te kiezen. Daarom werd in eerste instantie vlakbij het huis een siertuin aangelegd die, naar ik vermoed, in de jaren nog zal groeien. Tot nog toe doet hij het wondergoed. Als er een plantje doodgaat, is het omdat het op de verkeerde plaats staat. En dan niet omdat ik geen rekening houd met zon en schaduw, maar omdat ik me soms wel eens mispak aan de hoeveelheid zon of schaduw. Er zouden kleine stokjes moeten bestaan die je in de grond steekt op de plaats waar je bloemen wil zetten, die na 24 uur aangeven hoeveel zon er nu ècht was en tezelfdertijd hoe nat de bodem is. Was ik wetenschapper, ik ontwierp het ter plekke.

Ook die siertuin is in zekere mate wild. Er staan geen gekke dingen in die niet aan ons klimaat zijn aangepast (ons normale klimaat bedoel ik; we negeren even voorjaar 2010), en de meeste planten vormen zusjes en broertjes die ik uitspit en elders in de grond steek. Zo kweek ik zonder te zaaien elk jaar een grotere siertuin. Vooral vrouwemantel en sedum vermeerderen zich hierdoor erg snel.

Maar de categorie echt wild werd voorbehouden voor het stuk achteraan onze grond, al moest dat na aankoop eerst dringend worden ‘schoongemaakt’. Het is met wilde bloemen toch ook een beetje zoals met bossen: voor een goede groei is altijd wat onderhoud nodig. Dat wil zeggen: bramen verwijderen (de meeste; onder de eiken en beuken zijn er enkele blijven staan), alle ‘windhout’ (afgevallen takken van wilgen en populieren die van bomen vielen en opnieuw een boom werden) werd verwijderd, en alle bomen die te dicht op elkaar stonden werden uitgedund, zodat degene die bleven staan konden uitgroeien tot grote, gezonde bomen. De ondergrond werd zoveel mogelijk ongemoeid gelaten. En als ik lees hoe bij anderen toch veel plantjes verdwijnen, of de wilde bloemetjes er alleen bij komen door aan te planten, dan zijn wij toch gezegend met een mooi stukje natuur. Tot nog toe is er maar eentje verdwenen (van kleur verschoten, om precies te zijn), maar voor de rest bloeit daar vanalles.


Het klein hoefblad is het talrijkst opgekomen en bloeit als eerste (alle foto’s hierboven zijn trouwens ‘aanklikbaar’, voor de liefhebbers van slechte foto’s uit de periode toen ik het macro-knopje nog niet ontdekt had). Ook het speenkruid schiet overal op, vergezeld van (vooral) witte  maar ook (sporadischer) paarse dovenetel. Hier en daar bloeit wat koolzaad, maar niet al te veel. Het kruipend zenegroen is maar op één plaats aanwezig, maar hondsdraf draaft dan weer de hele tuin door. Voor het eerst zag ik ook de pinksterbloem, die zich hopelijk in de toekomst gaat vermeerderen.

Eén van de vreemdste planten vind ik de ‘gele daslook’. Eigenlijk weet ik niet eens of het daslook is. Het heeft er alleen alles van weg, behalve de kleur. En helaas: dit is een foto van vorig jaar. Dit jaar zag ik geen gele versies meer. Alleen wat verderop bloeit de gewone, witte daslook wel.

De gele sedum (immergruenchen) vanop de foto situeert zich momenteel ergens onder de vloerplaat van de living, maar hij duikt regelmatig terug op tussen de andere bloemen. Ik spit ze dan uit, en zet ze in pot. Als ik er genoeg heb, zal ik ze weer uitplanten in de tuin.

Verder groeien ook bosandoorn en geel lis met tientallen (of zeg maar honderden) tegelijk. Het gele lis zorgt jaarlijks voor enorme boeketten in huis. Ook de wilde margrieten komen al weer boven piepen, en hier en daar staan wilde orchideetjes. Vorige zomer lieten vergeetmenietjes en vingerhoedskruid zich voor het eerst zien, en dit jaar komen ze op dezelfde plaats terug boven.

En dan zijn er natuurlijk ook nog de bloemen die iedereen heeft: boterbloemen, paardenbloemen, wilgenroosje, gewone ereprijs, klimopereprijs, klaver, enz.

Dat netels en zevenblad nog talrijker zijn dan bovengenoemde bloemen hoeft niet te verwonderen. Daarom zullen we volgend jaar wellicht ook wat drastischer moeten ingrijpen in dit natuurlijke stuk. Maar voorlopig is het puur genieten van al wat spontaan de kop opsteekt.


Read Full Post »

Older Posts »