Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for september, 2010

Collega’s

Je moet ze weten te kiezen. En dat kan ik ook, want elke sollicitant voor om het even welke functie bij ons, moet bij mij passeren. Soms maar één keer, meestal twee keer, en zelfs eens drie keer. Maar in dat laatste geval had ik echt niets meer te vragen en liet ik een meer belabberde indruk na dan de sollicitant in kwestie 😉 Hoeveel ik bij de uiteindelijke keuze werkelijk in de pap te brokken heb, is twijfelachtig. De ene keer wordt integraal mijn voorstel gevolgd, de andere keer wordt er lijnrecht tegen in gegaan. Maar het zotste van al is: als potentieel toekomstige collega wordt de kandidaat natuurlijk ook een beetje gespot op ‘tofheid’. Zo van: zie ik mij daar een koffie mee drinken en een half uur verkwetteren? Interessante invalshoeken die door de officiële sollicitatietechnieken geheel ten onrechte niet gehonoreerd worden!

En het resultaat: toffe collega’s, niet in het minst de 2 biologen die nog altijd geduldig zijn als ik weer eens met een onduidelijke beschrijving van één of ander obscuur beest afkom, en mij dan nog het juiste antwoord geven ook. En daar bovenop: één van die bio-collega’s blijkt nog te fotograferen ook. Dus gaat het af en toe eens over mijn slechte foto’s. Of over zotte natuurfotografen die kleine schaartjes in hun foto-tas hebben zitten om de grasjes weg te knippen die in de weg van het beoogde beeld staan. En toen we het eergisteren over verwilderde schapen hadden, toonde ik hoe mooi onze soays wel zijn via de foto hier op de blog.

En dan stond de collega gisterenmorgen opeens in mijn bureau met een boek ‘inleiding tot de fotografie’ (of zoiets ongeveer). “Hier”, zei hij, “omdat je zei dat dat zo’n mislukte foto was van dat schaap.”

“Ja hola,” zeg ik, “ik zei net dat dat mijn best gelukte foto ooit was!”

Gegrinnik alom, maar kom: er ligt thuis nu een boekje op mij te wachten dat in de toekomst jullie leven (en vooral het deel ervan dat jullie verspillen aan deze blog ;-)) aanzienlijk aangenamer zal maken!

“Echt tof”, zeg ik tegen de collega. “Jij geeft me tenminste een boek; de meeste mensen zeggen gewoon RTFM”.

“O, maar dat is wel de meest wijze raad die je kan krijgen hoor”…

*

Deze morgen nam ik dan uit dankbaarheid voor de collega een bamboeplantje mee. Terwijl ik in de gietende regen, zonder regenjas, op de trein stond te wachten met die stokken in mijn hand, begon een man met drie rugzakken èn een regenjas mij aan te staren.

“Ja, ik kijk naar je plantjes”, zei hij.

“Aha”, zei ik.

“Da’s eigenlijk wel boeiend.”

“O”, zei ik. “Het is bamboe.”

“Ja, maar dan vraag ik me af, ” vervolgde de man, “hoe zit dat biologisch? Behoort dat dan tot de familie van de grassen?”

Huh?

“Euh, ja, voor zover ik weet wel.”

De regen stroomde ondertussen uit lucht en ik wierp zo theatraal mogelijke blikken naar boven.

“En ook,” zei hij onverstoorbaar, “die historische evolutie? Ik bedoel maar, ook granen zijn gras. Maar hoe is dat prehistorisch gegroeid? Want van de wilde grassen is het zaad piepklein. Dus ze moeten al heel vlug graan beginnen verbouwen zijn, om die op de grootte te krijgen van onze tarwe.”

Ik denk dat ik ondertussen wel een beetje stond te kijken zoals een hond naar een zieke koe in een natgeregende weide.

“En om als nomadenvolk over te gaan naar een vaste plaats,” ging het weer door, “moet het gebied voor een stam om te verbouwen  toch wel zeker 200 are geweest zijn? Dat ze dat toen al konden!”

“Nu ja, het brood bestaat ook al sinds de prehistorie, dus toen hadden ze al graan,” zei ik, beleef opgevoed en wetende dat je af en toe eens op een gesprekspartner moet reageren.

“Maar dan moeten ze toch al granen geselecteerd hebben om tot de huidige grote gewassen te komen.” En helemaal op dreef, met steeds enthousiaster toon: “Graan is overal een basisingrediënt. Het is maar in Zuid-Amerika dat ze ook brood van maïs maken. Nu ja, de Egyptenaren hadden panouk (?). Heb je ooit al van panouk gehoord? Wel, dat is eigenlijk…”

En toen kwam de trein. En ging hij in een andere rij zeteltjes zitten. Was het verborgen camera? Of slaan mijn oren groen uit en vormen mijn puistjes onbewust het woord ‘natuurliefhebber’ op mijn voorhoofd? Ik ben in elk geval in de krant gedoken en heb niet meer gezocht waar hij zat of afstapte. De bamboestokjes legde ik goed uit het zicht, op het bagagerek.

En ja hoor, toen ik zoals altijd half lezend, half dromend, van trein overstapte in metro, ben ik de bamboestokken zowaar op de trein vergeten…

Dus als iemand ze wil: ze liggen in het depot verloren voorwerpen van het eindstation van de trein, zijnde Schaarbeek. Best wel oppassen voor mannen met 3 rugzakken…

PS En in één van de volgende stukjes zal het echt nog wel eens over de tuin gaan, maar het werkleven is dezer dagen zo druk dat ik niet aan tuinwerk toekom…

Advertenties

Read Full Post »

“Waar heb ik toch zo’n rare dochter vandaan gehaald?” vroeg de mama van mevrouw onderdeappelboom zich luidop af.

Dat zit zo: in het ouderlijk huis van mevrouw onderdeappelboom is geen internet. Af en toe wordt er dus eens een stukje van deze blog uitgeprint, en aan de mama en papa onderdeappelboom bezorgd, zodat ze een beetje op de hoogte zouden zijn van wat hun jongste dochter allemaal uitspookt op het wereldwijde web. En nu zat daar het stukje over veel of weinig wassen bij. Vandaar dus.

Maar dat de mama van mevrouw onderdeappelboom het niet als een belediging bedoelde, bleek al snel uit het antwoord dat ze zelf op haar vraag gaf: “Maar ja, ik was eigenlijk ook zo. Je hebt veel van je papa, maar dat rare heb je van mij.” Als dat niet mooi is! Overigens kunnen de kinderen uit het ouderlijke huis onderdeappelboom dat alleen maar bevestigen. Vooral de macrobiotische periode is ons bijzonder goed bijgebleven, zucht… 😉

En het was nog niet gedaan. Het komt namelijk niet alleen van de mama van mevrouw onderdeappelboom. Nee: “eigenlijk hebben we het allemaal van je grootvader mee”.

Dat zou kunnen. Niet dat ik die grootvader lang heb gekend. Maar zelfs na 20 jaar is hij in de gesprekken van familieleden nog heel springlevend. Ik had het trouwens hier al eens over hem. En ook achter dit stukje zat hij een beetje verstopt.

Maar een herinnering is een raar beestje. Hier leest ook familie mee (dag nonkel pickels! dag meter! dag neef uit Engeland!) en die herinneren zich wellicht een heel andere grootvader. Bovendien: het geheugen onthoudt altijd maar stukjes, die het vervolgens creatief invult op het ogenblik dat je begint te vertellen. Hoe zeker je ook denkt te zijn van een herinnering, je kunt wellicht nooit helemaal zeker zijn dat het zo was. Ook foto’s, en verhalen die anderen zich herinneren, krijgen een plaats in je hoofd en doen op het eind alsof ze deel uitmaken van je levensechte herinnering (vergelijk het maar met hoe makkelijk je een tekst zonder klinkers kunt lezen: het hoofd vult zelf aan wat ontbreekt – – -En wie meer wil weten: lees wat je kunt vinden van Elisabeth Loftus).

Maar dat moet ons natuurlijk ook niet afschrikken om het over herinneringen te hebben.  Waar komt het vandaan, die liefde voor de tuin? Ik weet niet of je ‘stokjes’ mag uitvinden in blogland, maar eigenlijk ben ik wel nieuwsgierig waar de tuinliefde bij de andere bloggers (vermoedelijk) vandaan komt; dus wie zich geroepen voelt om de vraag te beantwoorden: vang het stokje, en ik zal gretig komen lezen!

En wat mevrouw onderdeappelboom betreft: de natuurliefde komt er van verschillende kanten. Ja, zeker ook van die grootvader. En daar kan je hele boeken over vullen. Maar omdat ik nu al zo lang aan het leuteren ben, begin ik met een klein stukje: de sfeer van hun huis; alleen dat al is iets om naar terug te verlangen:

Als de wind de takken van de vlier uiteen haalt en ik mijn wang tegen het raamkozijn aanvlei, zie ik langs de robuuste knotwilgen heen nog net het huis van mijn grootouders staan. Met zijn lange, blinde achterzijde kromt het zich langs de oever van de gracht en schurkt zich diep in de ondergrond waaruit het meer dan honderd jaar geleden verrees.

Van aan het raamkozijn kan ik het kleine raampje van de achterkeuken zien. Een gat met traliehek ervoor om onstuimige ballen en hongerig ongedierte buiten te houden. Op de vochtige vloertegels leunen gevlochten manden kreunend tegen de binnenmuren aan, terwijl ze kilo’s aardappelen torsen, en peren, die eerst nog met overvloedig sap tot aan je ellebogen druipen, en later steeds kruimeliger worden tot ze blozend in een pot tot een dessert van warme peertjes worden gestoofd.

Bewaarappels liggen er ook, en de uien hangen reikhalzend aan de haken in het dak. In de kille vochtigheid van dit achterste kamertje worden fruit en noten door de winter geleid, om op lange winteravonden hun weg te vinden naar de Leuvense stoof waar ze op de hete buis tot gloeiend zand worden gekookt.

De voorkamer kan ik niet zien vanuit ons huis, maar hij spreidt zich onveranderlijk open in mijn hoofd, leeg en ongebruikt, maar met de zware geur van jasmijn in het voorjaar, en met zicht op het immer smetteloze erf waar curryplanten de lucht al lang voor de bloei met zware geuren bevruchtten rond de bordgroene pomp.

Rondom het huis zijn zandwegen onder stromen asfalt ten onder gegaan. Zompige kerkwegels moesten buigen voor de uitbreidingsdrift van landeigenaars, en uitgestrekte weiden werden schaamteloos in lappen geknipt voor een onooglijke rij kavels. Terwijl de monovolumes nu gretig de spiegelgladde opritten van de nieuwe huizen bevolken, staat op hun erf de bakfiets met geraniums nog onveranderd stil en woekeren de margrieten elk jaar wilder over de kasseien heen.

Het huis van de grootouders staat in het West-Vlaamse polderland, ontstegen aan de zee en er door de tand des tijds uit opgewonnen. Maar waar ons eigen huis zich met haar nieuwe bakstenen en waterkeringslagen aan de geschiedenis onttrekt, is het huis van de grootouders nooit helemaal los gekomen van de zee. Doorheen tochtrepen en handdoeken, en langs de voegen van de westermuur heen, wint het zoute water altijd weer terrein, en trekt ze vuilgroene strepen achter het behang die bij het eerste warme weer tot dikke plassen vocht op de vensterbank stollen en ’s zomers samen met de uitgeputte vliegen liggen uit te drogen op het versplinterde verftapijt.

Het huis heeft de tijd niet zonder kleerscheuren doorstaan. Met de komst van elke nieuwe woning trok het zijn dak weer dieper tussen de schouders en kwam pas maanden later kreunend tot stilstand, met een nok die weer wat dieper onder de daken van de nieuwbouw rondom kwam te liggen, en een voordeur die steeds een trapje dieper zakte dan het asfalt van de straat.


Is het zo exact? Nee, niet helemaal. Ik heb het huis nooit vanuit het ouderlijke  huis kunnen zien staan, hoe dicht we er ook bij woonden. En zelfs al had ik het kunnen zien, dat zou het er nu niet meer op dezelfde manier uit zien: het werd verkocht aan een jong koppel dat deed alsof het er tegen z’n zin kwam wonen om het zo goedkoop mogelijk te krijgen. Ze hebben het gewelfde mansardedak rechtgetrokken tot een glanzend blauw zadeldak, en over de oude stenen werd een dikke laag gele buitenpleister gesmeerd. De grote perenboom vonden ze rot, en lieten ze slopen. De linden werden gekapt, de haag vervangen. Gelukkig hebben we foto’s en schilderijtjes van hoe het vroeger was. En anders ga ik gewoon even onze berging in; daar ruik ik nu bijna hun achterkeukentje.

Read Full Post »

Oh nee, daar is ze weeral met haar schapen!

Yep 🙂

Maar ik beloof plechtig dat het één van de laatste keren is. Of dat ik toch minstens een paar weken maanden ga wachten vooraleer ik jullie nog eens een schapenbericht aansmeer. Maar nu, nu wil ik nog één keer alle informatie over soayschapen op één plaats verzamelen, voor de internetgebruikende goegemeente die op zoek is naar een leuk schaap. Bij deze:

OORSPRONG:

Soay-schapen komen van een Schots eiland, Saint-Kilda.  De omstandigheden waarin de schapen daar hebben moeten leven (bar, ruig) vormen de oorsprong van de kwaliteiten waarvoor de soay-schapen nu nog steeds geliefd zijn: ze doen het goed op ruwe ondergronden en hebben geen last van koude temperaturen.

(Pas op: er bestaat ook een St-Kilda-schaap, maar dat is een ander ras dan de Soays).

KENMERKEN:

Soays zijn kleine schapen; iets groter dan de Ouessants, maar toch niet meer dan een 60 cm hoog. Ze zijn bruin (meestal donkerbruin; die van ons zijn wat lichter), met witte tekeningen op kop, poep en buik.

De Soays zijn halfwilde schapen die weinig verzorging door mensen vragen. Eén van hun meest opvallende kenmerken is dat ze hun vacht zelf verliezen en dus nooit geschoren moeten worden. (dat de afgevallen wolletjes in het voorjaar door de vogels gebruikt worden om nesten te maken, is een ecologisch mooie meevaller).

Soays lammeren zelfstandig, vaak maar van één lam, maar soms ook van twee. De ooi zal zich voor de bevalling niet altijd zichtbaar terugtrekken. Het is een typisch schapenras waarvan je op een gegeven moment bij verrassing vaststelt dat er een nieuw lam op de weide staat.

De lammetjes zelf zijn ook vroeger sterk en zelfstandig dan bij het gemiddelde schaap. Ze gaan sneller grazen en gaan vlugger hun eigen gang, ook al zorgen de ooimoeders normaal goed voor hun jong.

VOEDING:

Soay-schapen zijn ruigtedieren. Ze eten gras, maar ook netels, distels, wilgen en berkenschors staan op het dagelijkse menu. Van jonge bomen durven ze ook wel eens wat schors eten, dus in het geval van een boomgaard worden de jonge boompjes best beschermd. Van oudere bomen blijven ze af.

De algemene regel is 2 schapen per 500 m² weide.

Het Soay-schaap zou van nature ook alleen maar eten wat goed voor hem is (de afgevallen appels eten ze bijvoorbeeld maar met mondjesmaat). In de winter hebben ze genoeg aan hooi en korrels (of gemengd schapenvoer). Er moet uiteraard ook altijd vers water zijn, maar een schaap is geen grote drinker.

EIGENAARDIGHEDEN:

Behalve de zelfverliezende vacht heeft het Soay-schaap nog enkele heel typische kenmerken. Zo zal het schaap altijd via dezelfde weg van het ene stuk naar het andere stuk van de weide lopen. Na een week zie je al hoe er zich een pad aftekent in het gras. Daardoor houden ze de rest van de weide open. Dit ‘wandelpatroon’, samen met het lichte gewicht van het soayschaap voorkomt verdichting van de grond. Het pad zelf, waar ze zo vaak op lopen, is dan weer wel keihard, wat het slijten van de hoeven ten goede komt.

Omdat de soays graag brandnetels eten, en zich langs hun eigen pad begeven (dat vrij van uitwerpselen is), schijnen ze ook zeer bestand te zijn tegen wormen.  Overigens is het soay-schaap in het algemeen vrij goed bestand tegen ziekte.

HUISVESTING:

Zoals bij de meeste schapen: een schuilhok met stro volstaat; een echte stal hoeft zeker niet. Maar als er een afdak is, zullen ze er bij regen, nacht of extreme koude zeker gaan onder staan.

KARAKTER:

Soays zijn heel schuwe schapen. Pas heel geleidelijk laten ze zich door een schepje korrels verleiden om tot bij de schapenhouder te komen. Zelfs dan is een knik in de knie of een onverwachte beweging van je hoofd genoeg om de kudde uit elkaar te laten stuiven. Een schaap vangen is daarom bijna onmogelijk. Van zodra je op hen afloopt, stuiven ze in groepjes verschillende richtingen uit, en door hun lichte gewicht zijn ze bijzonder snel. Als je hen voor het lammeren of verzorgen toch zou moeten vangen, dan probeer je hen best in de stal te drijven. Veel soay-houders raden aan om regelmatig eens te oefenen met de schapen, tot ze bereid zijn je te volgen als je eten naar hun stal brengt. Dit maakt de klus om hen te vangen aanzienlijk makkelijker op het ogenblik dat dat echt nodig is.

Toch zijn soays ook hele vriendelijke beestjes. Ze nemen mensen goed in zich op en houden van een beetje aandacht. Elke dag hebben ze ook een moment waarop ze dartel als een hinde lukraak door de weide springen; een heel mooi zicht!

NADELEN

Als je schapen wil houden voor het vlees, dan ben je er met soays wel aan voor de moeite. Maar wil je schapen omwille van de schoonheid, of voor een kleine weide of boomgaard, dan zijn het de ideale dieren.

Voor mijn informatie ben ik schatplichtig aan eigen ervaring, maar ook aan deze en deze website.

Read Full Post »

Meneer onderdeappelboom loopt altijd de leukste beestjes tegen het lijf. Dat zei ik eerder al. En dat is nu weer het geval. Geen neushoornkever dit keer, maar de larve ervan. De gigantische, enorme, supersonische en bovenal afschuwlijke, walgelijke en afschrikwekkende neushoornkeverlarve:

Ze lijkt hier misschien nog klein, maar dat ding is dus zo’n vijftien centimeter lang, en zo’n  dikke 3 cm in doorsnede. Het glanst, ’t is doorzichtig, en doorheen dat gluiperig blubberpantser van lederdikke griezelhuid zie je de onderdelen van wat ooit een enorme neushoornkever met staalharde donkerbruine onderdelen zal worden.  Een monster, jawel. En dus vroeg meneer onderdeappelboom snel om het fototoestel, en sloeg hij aan het fotograferen terwijl ik binnen bezig was. Ik zag hem manoeuvreren, ik hoorde hem rond de tafel draaien, en regelmatig steeg een intens gegrinnik op tot de bovenverdieping waar ik de kindjes naar bed aan het brengen was. ” ‘k Ben erg benieuwd naar m’n foto’s”, zei hij even later. En aan de nauwelijks verhulde grijns zag ik dat ik snel zijn reportage moest bekijken.

’t Begint eigenlijk zeer deftig. Kijkt u maar even mee:

Eerst liet hij gewoon de beestjes, die ik ooit bij wijze van tuindecoratie mee naar huis bracht en die door meneer onderdeappelboom met opgetrokken wenkbrauw aanvaard geduld werden, met de larve kennis maken.

’t Lijkt misschien alsof ze de larve even spotten als een lekker en proteïnerijk hapje, maar het zou ook liefdevol kunnen zijn. Zeker als je ziet hoe er vervolgens een zekere mate van toenadering is tussen vlinderbeestje en neushoornkeverlarve:

Maar dan weet ik niet meer wat ik ervan moet denken: vlinder en larve komen in een zekere … euh … ‘positie’:

En ’t stopt niet; we krijgen het ook nog eens van de andere kant te zien:

Er komt spontaan een deuntje van Boudewijn De Groot langs mijn oor gedwarreld: ‘een man blijft toch altijd een kind’ 😉

Read Full Post »

Komt een man ’s avonds thuis bij zijn vrouw. Zegt hij tegen die vrouw: ” ’t Is nu niet dat ik er iets mee wil zeggen, maar in de weekendbijlage van de Morgen gaat vanaf zaterdag een boekske zitten: ‘Hoe neem ik de perfecte foto’. Allé, ik geef het maar even mee hé”.

Jaaaajaaa….  En ’t is nochtans niet dat ik daar iets mee zou kunnen doen; ik ga er zelfs geweldig op vooruit. Vorig jaar bijvoorbeeld, was mijn foto van de vlierbessen voor 90% onscherp. En dit jaar is dat toch maar voor zo’n 80% meer onscherp. Wat een stijgende perfectie!  Niewaar?

Bon, voor de recepten voor vlierbessensiroop moet je dus ook bij de bessenfoto van vorig jaar kijken. Overigens vind ik ze het lekkerst met witte suiker. Honing neemt nogal veel van de smaak van vlier weg, ervaar ik nu. Maar ’t is lekker! En ’t is de moment om ze te plukken, om de komende lange winter aan te kunnen.

Maar daar willen we dus niet aan denken, aan winter. We denken aan zon, en aan zongerijpte tomaten. We hebben er toch bijna 200 geoogst, van onze buitentomaten, en begonnen dus langzamerhand wel eens te verlangen naar een origineler recept dan tomaat mozarella, tomaat garnaal, gestoofde tomaatjes, enz. En waar anders kan je dat vinden dan hier?

Ovengedroogde tomaatjes dus. En dat doen we zo:

Mama onderdeappelboom snijdt de tomaten, en de kleine onderdeappelboompjes krijgen elk een bakplaat om ze op te schikken. Dochtertje onderdeappelboom is een huisje aan het maken; zoontje onderdeappelboom ging voor abstract.

Daarna moeten er kruiden op. En zout. Véél zout, naar het schijnt. Maar wat is véél? Om enigszins in verhouding te blijven gaf ik elk van de onderdeappelboompjes een kommetje met daarin een afgestreken eetlepel zout en basilicum, tijm, pilipili en paprikapoeder. Uiteindelijk ging maar de helft van het zout op de tomaten, en strooide ik er nog wat kruiden extra bovenop.

Na 4 uren op 70 graden vond ik de tomaten nog niet zo droog, eigenlijk. Meneer 666bbq grapte iets over een lowtech hoedenplank. Maar was dat wel zo’n grap? Er zijn mensen die ’s morgens hun boterham met kaas onder de voorruit leggen om ’s middag croque monsieur te kunnen eten. En dus pakte ik de ovenschotels in zoals ik de buurvrouw had zien doen met haar zongedroogde kersen, en plaatste ik die schotels op de hoedenplank, profiterend van de laatste warme dagen afgelopen weekend.

Vervolgens schoof ik de tomaten ook nog eens in de oven nadat ik brood en lasagne had gebakken (en de oven dus al uit stond) en toen pas leken ze mij droog genoeg. Hun smaak: zout!!!! Maar ook: lekker!! In de hoop dat ze zullen bewaren, schepte ik de tomaten in 3 potjes en goot er olijfolie over. Ik denk dat de olie nog wat smaak van de tomaten moet overnemen; dat hoop ik althans. Maar ik kijk toch al uit naar een schep verse pasta overgoten met deze zon-auto-oven-gedroogde tomaten en olijfolie.

Read Full Post »

“Om een goed mens te zijn moet je minstens zeven zonden hebben,” stelde prof. X in 1ste kan (1ste bach, voor de jongelui van deze tijd). ‘Zonden’, dat was voor prof. X een uitvergrote vorm van ‘passies’. We laten wijselijk na in  te gaan op de passies van prof. X (’t waren leuke ;-)), maar wat de passies onder de appelboom betreft: soayschaapjes is er één van geworden. Man, dat zijn toch zalig mooie beestjes.  Zo zacht als een schaapje, zo klein als een geitje, zo pienter als een steenbok, en zo hups als een hinde. En ook: met een niet zo grote honger als een ‘echt’ schaap. Met als gevolg: Emma en Annabel, onze eerste soayschaapjes, konden de weide niet helemaal meester. Liever dit dan het hongerverhaal van de schaapjes van vorig jaar, maar toch: na twee keer 1000m² weide zeisen, hadden meneer en mevrouw onderdeappelboom het wel gehad. En jawel hoor:  2 nieuwe schaapjes kwamen erbij:

Ik beloof plechtig om binnenkort eens mooie foto’s van de schapen te posten; deze waren in de haast bij valavond; geen excuus, ik besef het…

Aan de kleine onderdeappelboompjes was verteld dat als ze de volgende morgen wakker werden, dat er dan 2 nieuwe schaapjes zouden zijn. En hoe moesten we die noemen? De namen van vriendinnetjes en familieleden werden afgelopen, maar niets was ok. Molleke dan maar? Moesje? Liesje? Pluisje? Wolletje? Nee, ze moesten er allemaal niets van weten. Mama onderdeappelboom werd het redelijk beu: “Allé, dan moeten we ze zeker koek en limonade noemen?”. Sja, zie daar het licht oplichten in de ogen van de kleine onderdeappelboompjes. Koek en Limonade, dat moest het zijn!

Mevrouw onderdeappelboom wenste de kindjes slaapwel, en ging ervan uit dat het de volgende ochtend vergeten zou zijn. Edoch: driejarigen onthouden alles. Want zelfs al kregen we van de vorige eigenaars te horen dat de schaapjes Fee en Frou heten, toch joelden de kleine onderdeappelboompjes van bij het wakker worden om Koek en Limonade. De buren zullen grote ogen getrokken hebben…

Voor de rest: alles peis en vree. De vorige eigenaars waren heel blij te mogen kijken waar hun schapen terecht kwamen en vonden het bij ons – grote eer- een echt goede plek. De schaapjes zelf besnuffelden elkaars neus en achterwerk, en trokken terstond met z’n vieren de hele weide rond. Ook hun zotte bokkensprongenuurtje deden ze nu met z’n viertjes. Zowaar een echte kudde zalige schaapjes. Ondertussen weten we wel hoe we kopers en verkopers moeten selecteren: mensen die hun schapen namen geven, dat zijn de goede, zèlfs al klinkt die naam meer als een vieruurtje dan als een schaap…

En verder genoten we van het prachtige weer om een oogst- en werkdag te houden. Terwijl meneer onderdeappelboom grassenborder en bessenpartij van onkruid ontdeed met zoontje onderdeappelboom, gingen dochter en mevrouw onderdeappelboom de moestuin leeg oogsten.

De pastinaak ging niet zo makkelijk uit de grond, maar wat een mooie groente kregen we in ruil. Was ik een goede fotograaf, ik maakte er zeker een studieobject van!. Ook vier pompoenen en nog wat courgette werden geoogst, een aantal verse augurken ging naar de keuken , en de rode kool werd direct bereid en klaar voor de diepvries gemaakt. Verder gingen al wat spruiten de ijskast in (even mislukt als vorig jaar), plukten we vlier en maakten er vlierbessensiroop van (één potje nog maar, maar we gaan nog wel eens op trektoch voor méér), en oogstten we ook nog wat wortels. Tussendoor bewonderden we de larven (engerlingen) van de koninginnepage.

De beide onderdeappelboompjes, maar vooral dochterlief, genieten er ondertussen van om alle beestjesgewriemel op hun handen te voelen. Na elke “kijk eens hier!” van de ouders, volgt bij hen een: “ja maar ik moet dat voelen!”. Geen nood voor ons, we zien hen heel graag met al die wormpjes en slakken in de weer. Dat mama onderdeappelboom op een gegeven moment gillend het huis instoof na ontvangst van een wespensteek, onderwijl schreeuwend naar meneer onderdeappelboom: “zeg hen dat het niet erg is, zeg hen dat het niet erg is”, was in die zin één van onze minder educatieve momenten, we geven het toe. (Overigens deed de wespensteek veel minder pijn dan de steken van de ons onbekende zwart-rode insecten die drie dagen lang een pijnlijk beet veroorzaken- iemand een idee?).

Beestjes dus, daar was ik gebleven. En na het bepotelen, zetten we die netjes terug waar ze vandaan komen:

En verder? Nog wat boodschappen gedaan, nog iets met tomaten gedaan (waarover later meer), en nog gaan lopen, om toch ook nog aan wat lichaamsbeweging te raken. Zeven zondes… ’t is erg weinig toch?

Read Full Post »

Speculoo/aastaart

Er waart een spook rond op facebook. Het spook van het ideale gewicht. Of toch het zogenaamde ideale gewicht. Voor vrouwen. Net zoals BMI toch vooral een berekening voor vrouwen is. Een berekening die met het gewicht van spieren sowieso geen rekening houdt.  Mocht je het nog niet doorhebben: ik word absoluut tureluurs van vrouwen en hun gewicht. En dan vooral van hoe ‘de boekskes’ dat sturen. Alsof het normaal kan zijn te leven op één boterham ’s morgens, een slaatje met yoghurtdressing ’s middags en nog eens één boterham ’s avonds. Alsof je gelukkig en gezond wordt van sneetjes plastic (magere kaas) en lepels aspartaam (light yoghurt). Ik mag het mij niet voorstellen dat ik met mijn lief op restaurant zou gaan, het eerste romantische diner in tijden, en dat hij dan een slaatje gezond met een bordje fruit achteraf zou bestellen. Aaaaaaaargh! Dames en heren: eet normaal, in gemiddelde porties, en aanvaard het gewicht dat je dan blijkt te hebben.  En ja, ik heb makkelijk praten, want ik mag best veel eten voor wat ik weeg. Maar da’s nu net het goed bewaarde geheim: je wordt echt niet dik van een gematigde vorm van dagelijks snoepen. Ten bewijze, de taart waarvan ik net een derde opgepeuzeld heb bij wijze van dessert: Speculoostaart!

Ingrediënten:

– 1 pak bladerdeeg (die van Aldi is eerlijkgezegd de knapperigste)

– peren

– 150 g speculoos

– 3 dl room

– 2 eieren

– 80 g suiker

– 2 zakjes vanillesuiker

– snuifje kaneel

– 3 el amandelschilfers

– abrikozenconfituur

Werkwijze

Doe de bladerdeeg in een bakvorm en prik erin met een vork.  Verkruimel de speculoos en doe die op de bladerdeeg. Leg daar bovenop de peren met de punten naar het midden en maak er inkepingen in.

Meng room, eieren, vanillesuiker, suiker en kaneel en giet dit mengsel over de peren.

Bak 40 min. op 180 graden.

Strooi er de amandelschilfers over en bak nog 15 minuten verder.

Haal uit de oven en bestrijk met confituur.

Smakelijk!

Read Full Post »

Older Posts »