Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for februari, 2012

De aandachtige lezer heeft bij de Eigenwijze Tuin al gezien gehad dat ik het nodig vond informatie te verzamelen over springstaartjes. Dat was niet zozeer tot mijn plezier, zoals u zo dadelijk zult vernemen.

De niet-trouwe lezer, die hier al googelend is beland, bevindt zich momenteel mogelijks in dezelfde emotionele staat als ikzelf een week geleden: ontzet; in paniek; geschrokken; en bovenal onwetend wat te doen. Laat mij u dan gerust stellen: eens u op springstaartniveau kunt denken, blijkt er zowaar een oplossing te zijn. In afwachting van uw nieuwe mentale staat kunt u alvast wat citronella kopen. Die houdt de springstaartjes op afstand, zodat u hier kunt lezen zonder telkens over uw schouder te kijken om te zien of ze al terug zijn. (Ja, nog-niet-eerder-met-springstaartjes-geconfronteerde-lezer, zo erg kan het worden.)

De aanleiding

Ergens half januari had ik een verjaardagsfeestje, en in afwachting van mijn bezoek besloot ik nog snel eens de zwarte vloer in de inkomhal te dweilen, want die zag er merkwaardig stoffig uit, ondanks het feit dat ik die de dag tevoren nog schoongemaakt had. Toen ik mijn dweil terug van de vloer nam, zag ik met een lichte ‘eek’ plots een heleboel beestjes wegspringen. En een seconde later maakte ik met een immense kreet ook aan meneer onderdeappeboom duidelijk dat de hele vloer werkelijk vol beestjes was die in grote colonne van voordeur naar ruit trokken. Stofzuiger genomen, alles weggezogen, voordeur opengetrokken, en daar tot mijn ontzetting vastgesteld dat de gevel rond de voordeur ook al krioelde van de beestjes. Stofzuiger op de beestjes gezet en zucht van verlichting geslaakt. Tot er een halve minuut later weer evenveel beestjes zaten… Mevrouw onderdeappelboom in paniek, want als er iets is waar ik niet tegen kan, dan zijn het dingen die zich in  groep verplaatsen. Grote beesten, kleine beesten, mensen of dieren, maakt niet uit, maar ze mogen geen deel uitmaken van een massa. Gelukkig hield meneer onderdeappelboom het hoofd koel en ging hij ze verder onversaagd met de stofzuiger te lijf. Tot ze er een halve minuut later wéérom waren. Toen werd er een spuitbus met verdelgingsmiddel bijgehaald. Geen idee waarvoor we die ooit kochten (hij bleek ook al 2 jaar over tijd), maar het werkte; de beestjes waren dood en ik kon mijn verjaardag vieren.

Kort daarna trok de vorstperiode zich op gang, en verkeerde ik in de veronderstelling dat de beestjes verdwenen waren. Tot de lente begin vorige week in de lucht hing en onze gevel weldra weer lichtjes grijs begon te zien van de beestjes. Deur afgeplakt met isolatietape zodat ze niet binnen konden, nieuwe spuitbus gekocht en excessief beginnen googelen naar antwoorden en remedies.

Springstaartjes

Ik had het grote geluk dat op mijn verjaardagsfeest iemand aanwezig was die de beestjes direct kon determineren. Zelf kenden we de wezens niet. Ze hadden iets van een mier, maar dunner. Ze lijken op een luis, maar anders. En ze springen zoals een vlo, maar het zijn geen vlooien. Springstaartjes dus. Springtails in het Engels. Sneeuwvlooien, ook wel genoemd. Collembola, om precies te zijn.

Mocht u nu denken dat wij vuile mensen zijn, en u dankzij Uw Opperste Properheid geen springstaartjes hebt: neut. De beestjes zitten overal. Ook bij u. Onder uw gazon bijvoorbeeld. In uw composthoop. Tussen het hakselhout. In uw bomen. Zeker en vast ook in de bloempotten thuis. En ja, wellicht ook vlakbij uw gevel. In een gediversifieerde biotuin kunnen wel zo’n 20 soorten zitten. Alleen: normaal blijven ze zitten waar ze zitten, genietend van de vochtige omgeving waarin ze goed gedijen, en smikkelend van schimmeldraadjes en sporen waar ze van leven. Collembola zijn haast prehistorische dieren. Ze horen bij de aarde zoals zout bij de patatten. Het zijn de oudste (eerste) geleedpotige landdieren ter wereld, en ze hebben zojuist nog een tweede wereldrecord gevestigd: het zijn de diepste levende geleedpotigen op het land (tot ongeveer 2km diep) (Google News: Collembola).Men is niet eens zeker of ze nu wel insecten zijn of niet. Sommige wetenschappers denken dat het kreeftachtigen zijn, en dan ook minstens zo oud: tot 400 miljoen jaar geleden.  Ze bestaan in talloze soorten en vormen, en ze laten zich normaal niet echt zien. Vele soorten leven als individu, terwijl andere in koloniën leven. Ze vormen ook soms tijdelijke groeperingen en soms vergaderen ze met miljoenen.Coole beestjes, dus, echt waar, maar niet op de gevel van onze woonst.

Opperste dank aan onderzoeker Frans Janssens

En in de eerste plaats dank aan Loko Tosh, trouwe lezer van de Eigenwijze Tuin, die in het verleden volgens mij ook al eens Toko Losh was, en wiens naam ik ondanks ijverig gegoogel en gebroed op anagrammen nog niet heb kunnen determineren. Het heeft iets van Poco Loco, heb ik al eens gedacht, maar dat doet er allemaal niet toe. Loko Tosh was degene die mijn reacties bij de Eigenwijze Tuin serieus nam en mij de oplossing op een gouden schaaltje aanbood: de heer Frans Janssens (FJ), internationaal vermaard onderzoeker naar Collembola. Vooraleer u, die springstaartjes momenteel misschien ook als een probleem ervaart, hem ook met mails gaat bestoken: lees hier eerst even verder; misschien hebt u genoeg aan de info die hier staat, zodat we hem niet massaal gaan lastig vallen. Dat heb ik namelijk al ten overvloede gedaan 🙂

Check de omgeving en denk zoals een springstaart

Op mijn vraag om hulp verzocht FJ mij om een google-maps-link om de omgeving te bestuderen. Al snel werd duidelijk dat de beestjes vermoedelijk vroeger in de gracht woonden, aan de overzijde van de straat, in de schaduw van de weide daar. Dat is een vochtige omgeving met allerlei lekkers voor de Collembola. Als u ook springstaartjes op uw gevel hebt, kijkt u dus best eens in de omgeving: zijn daar vochtige plaatsen waar ze mogelijks vandaan komen? Is er iets veranderd waardoor ze er weggegaan zijn? Is er onlangs mest of andere aangevoerd waarvan de schimmeldraadjes tot op je gevel waaien? enz.  De beestjes gaan van nature namelijk niet op je gevel klimmen. Wellicht komen ze er gewoon om te eten van wat tot daar is gewaaid, omdat ze elders minder eten vinden. Van zodra het zonnetje schijnt, verdampt het water in de grond, en komt die damp tegen de gevel. Ook die vochtigheid is voor hen extra aantrekkelijk om zich aan de klim te wagen (overigens zal je zien dat ze in huis vrij snel dood gaan uit gebrek aan vocht).

Collembola vertonen ook van oudsher migratie-patronen. (Engelstalige website spreken zelfs van ‘massive migration’). Sommige verzamelen als trekvogels op één plaats, om daarna te verdwijnen. Andere klimmen ’s avonds langs de stam van een boom naar boven, om ’s ochtends terug naar beneden te komen, of net andersom. En als ze dan uw gevel aanzien voor een boom, hebt u dikke pech. Het herkennen van hun bewegingspatroon kan echter al enige geruststelling brengen. Dan weet je wanneer je de beestjes wel of niet mag verwachten.

Bestrijd ze door voor hen te zorgen

Unieke beestjes dus, leuk om te onderzoeken, maar niet leuk op de gevel. De citronella is je eerste wapen om ze van je woonst weg te houden. De geur verdrijft hen, en ze gaan er ook van dood. Citronella-olie is bovendien niet eens zo heel erg duur èn veiliger dan tea-tree-olie, die ze ook hier en daar aanraden, maar waarvan de neveneffecten toch mogelijks bedenkelijk zijn. Je moet het wel dagelijks herhalen, want citronella is erg vluchtig (en ook oppassen dat je niet per ongeluk een druppel op je jas laat vallen want dan kijkt iedereen in de trein je aan alsof je een levend anti-muggen-product bent). Chemische bestrijdingsmiddelen zijn altijd af te raden, maar hier zeker, omdat ze enkel de zichtbare beestjes doden, èn ook de goede beestjes, die de springstaarten opeten (duizendpoten, hooiwagens, snuitmijten, spinnen (op een gevel zullen het vooral springspinnen zijn), pseudoschorpioenen, wantsen, kevers (adulten en larven), roofvliegen, mieren). Om FJ nog maar even te citeren: ‘Biologisch evenwicht is heel belangrijk in onze strijd tegen plagen’.

En wat dan? Wel, wat doe je om te vermijden dat je de zak chips opeet? Jezelf troosten met iets wat je nog lekkerder vindt: chocolade. Idemdito bij de springstaarten: de meest effectieve bestrijdingsmethode is hen weglokken naar een plaats die voor hen aantrekkelijker is, en waar jij er vanaf bent. In de woorden van FJ: ‘de kunst is hen en biotoop aan te bieden waarin ze zich thuis voelen’. In ons geval wordt het een kwestie van meer planten zetten aan de voorgevel (stond al op het programma, maar zal nu wat vervroegd worden) en eventueel een spoor van planten trekken tot aan onze tuin achter het huis, waar het een waar collembola-feest moet zijn met composthopen, schimmelend hakselhout, haagkanten vol paddenstoelen, enz.  Of we er daarmee vanaf geraken (=hen terug onzichtbaar maken voor ons en hen terugbrengen naar de plaatsen waar ze nuttig zijn), weet ik nog niet. Maar er is nu tenminste hoop.

En of ik nu geen foto’s heb van die beestjes? Ja, maar aangezien je er eigenlijk toch wel een macrolens voor nodig hebt, zijn dat korrelige, wazige, lelijke foto’s. Maar ga gewoon eens naar Flickr en zoek daar op ‘Collembola’. Je zult verbaasd staan.

Tekst nagelezen en goedgekeurd door FJ, waarvoor nogmaals van harte dank!

Advertenties

Read Full Post »

Excuus, snél komt de lente

Vergelijk maar met gisteren

Read Full Post »

En met al die leuke ideeën op pinterest en op de webstek van Menck is een mens tuinier bijna niet meer te houden om erin te vliegen! Nu alleen nog tijd vinden!

Read Full Post »

Lievelingsboom

Bij de vele tuinwerken die we dit voorjaar plannen, hoort ook de aanplant van één of twee bomen op het gazon. Tijdens mijn studiebezoekje aan de Eigenwijze Tuin vrijdag was ik nog maar eens jaloers op die warme gezelligheid die daar in de tuin heerst (ook al probeerde de Eigenwijze Tuinier dat allemaal bescheiden te relativeren; het is hem niet gelukt). Eén van de dingen die bijdraagt tot die gezelligheid is de aanwezigheid van bomen op het gazon; in tegenstelling tot de redelijk kale grasvlakte die wij hebben. Nu zei ik eerder al dat bomen bij ons een moeilijk gegeven zijn door de hellingsgraad van onze tuin. Waar je in een vlakke tuin netjes langs de stam onder de kruin door kijkt, kijk je bij ons al snel recht op de kruin en wordt het vergezicht een dichtgezicht.

En toch… we gaan het proberen. Een boom vlakbij het terras, voor meer gezelligheid op het gazon. De vraag is alleen: dewelke? Misschien eens geen fruitboom, maar een mooi bloeiende prunus? Toch maar die Magnolia Kobus, ook al is die uitheems? Moeten we gaan voor mooie herfstverkleuring van de esdoorn? Het lichtspel van een moeraseik? De mooie vorm van een notelaar? De bijzonder schors van de Japanse sierkers? Mag schoonheid primeren op de hang naar inheemse planten (als ze niet overheersend zijn)? En is zo’n voorjaarsbloeier dan niet saai voor de rest van het jaar als hij uitgebloeid is?

We raken er maar niet aan uit. En dus vraag ik het maar eens aan u, alwetende lezer. Wat is uw lievelingsboom? En waarom precies?

 

Read Full Post »

3 kleine kaarsjes

Drie jaar in blogland ondertussen, maar groot feestgeweld hoeft daar niet mee gepaard te gaan. Erg veel boeiends werd hier het voorbije jaar immers niet bij elkaar gesprokkeld. Er zijn excuses, inderdaad. Er was de zwangerschap die met heel wat misselijkheid en ook wel wat ziekte gepaard ging. Er was het fonkelnieuwe babietje waar we mateloos van wilden genieten. En er is nu het werkleven met drie kinderen dat niet altijd even evident is, inclusief het gegoochel met bezigheden en verplichtingen allerlei, waaronder niet in het minst nog altijd het verder afwerken van onze verbouwingen.

Voor mezelf kan ik tevreden zeggen: ‘Oef, ik ben er nog in geslaagd te bloggen; dat had ik nooit gedacht.’ Maar aan het louter vegetatief in leven houden van een blog heeft u, als lezer, en om wie het allemaal draait, natuurlijk helemaal niets. Daarom hoop ik samen met u dat ik het volgende jaar wat zinnigere, mooiere, leukere, betere stukjes kan schrijven. En desondanks ga ik straks toch een stukje taart eten. Omdat elk excuus goed is.

Read Full Post »

Ochtend

Soms, als de nachten koud zijn en het kleinste appeltje zich in de vroege uren bloot woelt, trekt zich op de overloop van onze bovenverdieping een wonderlijke mars op gang. Als eerste roer de moeder zich, in de richting van haar jongste kind, dat ze bij het opnemen uit zijn bedje in lichaamswarmte en grotemensendekens wikkelt. Dan draait de vader zich naar hen toe, om zijn jongste te zien binnenkomen, en om tevreden vast te stellen hoe de zoekende oogjes van het kind in een glimlach plooien van zodra hun blik elkaar raakt. De grote Hij glimlacht vertederd. De kleine hij trappelt van vreugde de dekentjes los. En het grote moederdier duwt onvermoeibaar de dekentjes terug vast terwijl ze met z’n drieën verzinken in het grote bed.

In de nasleep van het gestommel van moeder en klein appeltje, ontstaat geritsel van dons en geschuifel van voetjes in de kamers van de oudste onderdeappelboompjes. Deuren gaan open, grinnikjes weerklinken, en in het spoor van kleine voetjes komt een eindeloze processie van noodzakelijk geachte attributen op gang. Beertjes worden vastgeklemd, kussens worden meegesleept, en in hun kielzog vervolmaken konijn, clown, pop en boek de verhuis. “Hoor, daar zijn ze weer”, zeggen we niet tegen elkaar. Maar we trekken een wenkbrauw op, proberen niet al te vertederd te glimlachen en duwen alvast onze kussens opzij. Wanneer de oudsten dan toch eindelijk joelend de kamer binnen banjeren, schrikken we overtuigend en plichtbewust.

Heel even moet er ruzie worden gemaakt, om wie naast het kleinste appeltje mag liggen en naar wie hij het meest gelachen heeft. Maar weldra schikken zich drie hoofdjes tussen ons in, terwijl meneer en mevrouw onderdeappelboom zich verbazen over hoe daar vroeger toch helemaal niets lag en nu toch werkelijk alles. En hoewel ze beiden zeer goed weten hoe dit alles uit niets ontstond, maakt het er de verbazing niet minder om.

Nauwelijks een minuut duurt het wonder, en dan maken hoofden alweer plaats voor voeten, kruipen koude vingertjes langs onze benen omhoog, klemmen knieën zich rond ons middel en worden we gesommeerd te slapen, te roeien, bergen te helpen beklimmen en met de oren te flapperen. Het kleinste appeltje bekijkt met grote ogen het geweld en lacht uitgelaten om de capriolen van broer en zus. Harmonie in meervoud. Tot een wekker weerklinkt.

Dan is er haast en spoed. We moeten smeren-pakken-voeden-kleden-wassen-opstaan en weer doorgaan. De één moet in de auto springen en scheuren naar zijn werk. De ander moet commanderen, dirigeren en organiseren om van de drie gelukzalig verfrommelde hoopjes mensenkind in bed drie netjes aangeklede, wakkere kinderen met gevulde boekentas en verzorgingstas te maken. De kinderen zeuren, de moeder zeurt, de melk raakt niet op, een beker valt om, ze moeten nog spelen-wassen-plassen-snuiten-kleuren-opruimen en treuzelen. Nog héél even spelen mama. Alleen nog deze puzzel. Dat laatste rijtje pareltjes. En de bel is toch nog niet gegaan?

Later staan we daar dan toch aan die schoolpoort, met boekentas vol drank, fruit en doosjes, sjaals en mutsen, propere schoenen, in de haast nog schoongeveegde mondhoeken en warme winterjassen waar de moeder altijd nog even moet aan morrelen om ze toch nog iets hoger in de nek, iets warmer om de hals te krijgen. En dan moet er nog een knuffel zijn. En nog één. Eén kusje maar. En dan nog eentje. En de mama roept van: “haast”, en “trein”, en “auto op de parking krijgen” maar geeft alsnog een zoen, een aai, een zot gezicht. En dat ze nu echt wel weg moet. Dat de trein niet wacht, maar het werk wel. En dus streel ik samen met de andere ouders de onwillige bolletjes van onze kroost en zeg ik: “hup, ga nu maar leuk spelen”, terwijl mijn hoofd moeizame pogingen doet om in de gure wind over de natte speelplaats een behaaglijke speelplek te zien. “Het wordt zeker en vast plezant vandaag. Ga maar naar je vriendjes”, zeggen ook de andere ouders die hun aarzelende kinderen aan de schouder zacht de speelplaats opduwen. We zeggen “Ga maar spelen”, en denken “Ga gelukkig wezen. Vergeet nu ons bestaan en toon dat je ons niet nodig hebt. Lach samen met je vriendjes de breekbare plooien uit ons hart en huppel het schuldgevoel uit mij weg.”

Read Full Post »

Niet zo heel erg veel, om eerlijk te zijn. Mooie elektronische plannetjes, bijvoorbeeld, zijn allerminst aan haar besteed. Want hoewel mevrouw onderdeappelboom voor huis en interieur steevast in sketch-up duikt, blijkt zij dat voor het tekenen van tuinplannetjes niet te kunnen. Een potlood dus. En een gommetje.

Ook papier, uiteraard. Maar omdat ik maar halverwege bedacht dat de schaal 1cm=1m redelijk makkelijk rekent en tekent, moest er nog een extra blaadje aan te pas komen. En toen nog eentje. En nog een halfje. Met véél plakband (‘tape’ voor de puristen) om het geheel aan elkaar te hangen. “Plakband is niet zo netjes” schreef mijn leraar geschiedenis 15 jaar geleden ook al op mijn werkjes…

Edoch, na menig uurtje denken en prutsen had ik zowaar een salontafeltje vol plan!

En hoewel ik me niet kan inbeelden dat iemand geïnteresseerd zou zijn in andermans plan (hoewel, ik wel in dat van u!), ben ik toch zo vriendelijk het geheel stapsgewijs te overlopen, te beginnen met deel 1.

deel 1Helemaal links is de straatzijde. Omdat dat ook het Noorden is, zou ik het blad dus een kwartslag moeten draaien, maar u heeft vast een buitengewoon goed ontwikkeld ruimtelijk inzicht, dus dat is allemaal niet nodig.

Aan de straatzijde zijn momenteel alleen kiezels, een clematis montana op de gevel en een hortensia (zo’n mooie met een open scherm, maar naamloos wegens stekje gekregen van de broer). Ooit, in een mooie en verre toekomst, zou ik dit willen aanvullen met nog meer hortensia’s, gras en 2 of 3 kleinere bomen.

Wandelt u bovenaan mee de oprit op. Ooit moet daar iets carportachtigs komen, maar dat is nog niet direct aan de orde. Wel willen we een windscherm voor de schommel (daarnaast), een plaats voor vuilniszakken, en een opslagplaats voor hout voor direct gebruik. De voorlopige oplossing die ik bedacht: palen met ijzers in de grond zetten. Heidematten of wildeschermen ertegen zetten, en klaar is kees. Aan de kant van de schommel zou ik er reukerwten laten tegen groeien. Maar het voordeel van die schermen is dat ze makkelijk weg kunnen als we toch eens met een grotere machine tot in onze tuin zouden moeten komen.

Vlakbij de schommel ziet u het perk met lang gras, esdoorn, linde, zandbak en tafeltje. Deze structuur zie ik niet onmiddellijk veranderen (behalve dan dat ik hoop dat er telkens meer bloemen in komen).

Onderaan, aan de zuidwestzijde, staat nu nog een garage, aka ‘het blogbqqkot‘. Deze moet weg, want hij ontneemt ons heel wat zicht. De bedoeling is om de achterste muur en de vier hoekpalen te laten staan, er extra houten planken bij te doen, en er dan de blauweregen en druivenrank die ernaast staan overheen te laten groeien. Het hoogteverschil zou overbrugd moeten worden met een mooi muurtje met mexicaans madeliefje en valse valeriaan. Maar voorlopig is dat toekomstmuziek, want de prijs voor het afbreken van die garage doet nog altijd pijn aan mijn oren…

Ernaast dan: de moestuin. Die schuift op tot dichter bij de garage/terras, en het kinderhuisje wordt verplaatst naar het andere eind van de moestuin. Hij krijgt een iets interessantere structuur (hoopt ze), met een paadje dat achter de groentebedden door richting kinderhuisje en serre gaat. Door het invoegen van een boogje en eventueel wilgenscherm, hoop ik dat het voor de kinderen een leuk speelpaadje wordt. Moestuinen zijn er niet om uit weg te blijven, ze mogen daar doorheen crossen en plukken wat ze willen. De bloemperken vooraan de moestuin (alles wat groen met rode bolletjes is, is bloemperk) zouden vol moeten staan met plukbloemen. Nog even afwachten of dat dit jaar al allemaal gerealiseerd zal zijn, want het houten terras op het plan moet dit voorjaar ook nog aangelegd worden. En de stapstenen komen er misschien wel nooit. Maar ik wil ze wel.

deel 2In de overgang naar deel 2 trekt onze tuin links en rechts plots zijn armen open en duikelt ook meteen een meter of 3 naar beneden. Links staat al een mooie schuur (compliment aan meneer onderdeappelboom) rechts willen we een serre (werk voor meneer onderdeappelboom :-)). Ik wil verder aanvullen met voorjaarsbloeiende struiken, want die mankeren we nog een beetje. En ook al lijkt het niet zo, toch kijk je vanuit de woonkamer recht op die plek. De grote bergaf vulden we met een bessenpark en grassenborder eromheen. De vijver werd rondomrond omheind met kanstanjehout, en ooit moet de woestenij van zevenblad en wilde pollen een mooi vijverpark worden. In deze zone wil ik verder nog een composthoop (in het midden bovenaan), maar ook daar wordt het zoeken naar een vlakke plek. De rij bomen die je op de bovenzijde/oostkant ziet, zijn een rij ratelpopulieren die ooit een weg hebben gevormd van straat naar weide. Wellicht waren er zelfs 2 rijen bomen, maar deze die op onze wal staan (ruim een meter hoger dan het omliggende land) zijn de enige die overgebleven zijn.

deel 3Deel 3 is weerom weide. Ooit een put van 5 meter diep, maar ondertussen omgewoeld grasland met natuurlijk rietveld. De overgang tussen ‘nette tuin’ en ‘wild stuk’ zou ik met een takkenwal willen markeren. Op de achterzijde werden al fruitbomen aangeplant, en wellicht gaan we het geheel inzaaien met zaadmengsels voor een bloemenweide. Maar dit is nog in overleg. En nog later moet dit stuk een speelparadijs voor de kinderen worden.

En wat meneer en mevrouw onderdeappelboom nu het allergekst vinden? Dat het plan van zo’n gestructureerde tuin lijkt blijk te geven. En dat we daar in werkelijkheid maar weinig van zien…

Read Full Post »

Older Posts »