Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for april, 2014

Ik heb hier nog maar halvelings aan boekrecensies gedaan, terwijl ik initieel nochtans van plan was daar de core-(non-)business van deze blog van te maken. Niet dus. En ook vandaag maar een halvelingse. Maar toch!

Een tijdje geleden vroeg meneer natuurlijk-rijk of we nu allemaal alle boekjes van collega-bloggers en collega-moestuiniers moeten kopen. En ik zei: “ik vind van wel” :-). Ik vind dat ook. Collega-bloggers en -moestuiniers moet je steunen. Zeker als ze pas beginnen. Of als ze er een levensvervulling in hebben of zoeken. Nu zijn Dorien/Jonge Sla en MmeZsazsa (10 000 volgers op facebook! 10 000?!!)  natuurlijk bezwaarlijk nog beginners te noemen, en steun is er alom. Maar toch!

Dus ik kocht de Moestuin van Mme Zsazsa, inlcusief recepten van Dorien, en las, zag en overwon de talrijke blzn. in een wip. Een aanradertje, dames en heren, en waarom dat zo is, hebben anderen al beter gezegd dan ik dat zelf kan. Ik kan alleen hoogstpersoonlijk meedelen wat dit boek voor mij beter maakte dan de andere moestuinboeken:

 

1) De stijl: lay-out zowel als tekststijl zijn anders, luchtiger, kortom: een opluchting. Informatief, maar zonder de wurggreep van een overdaad aan pseudo-academische encyclopedie-taal; hier en daar een grapje of een vleugje ironie, nergens mislukte grapjes.

2)Het papier: echt schoon papier. Jaja, beroepsmisvorming. Maar het goede papier.

3) De moestuininfo: behalve het begrijpelijk meegeven van de wisselteeltinformatie, neemt Mme Zsazsa ook voldoende de tijd om het hele schema theoretisch onderbouwd te doorbreken. En dat gaf voor mijn nog niet zo geïnformeerde geest heel wat nieuwigheden mee. Ik som ze niet allemaal op – anders koopt u het boek niet meer – maar om je een beeld te geven toch enkele voorbeelden:

– combinatieteelt van maïs en staakbonen is niet alleen een gemak voor de boon (ze kan via de mais omhoog), maar geeft je ook een beter gebruik van ruimte (normaal groeien bonen in het peulenperk en de grond tussen de mais is anders toch maar leeg), èn een meer gespreide oogst (staakbonen zijn later klaar dan struikbonen)

– er is vanalles dat je op je kolenperk kan zetten vooraleer er kolen zijn (voorbeelden in het boek)

– sommige groenten kunnen in theorie niet samen, maar als je goed nadenkt, zullen de eerste oogstklaar zijn op het moment dat de andere net ruimte beginnen nodig hebben. Dus je kunt ze in praktijk gerust heel dicht bij mekaar zaaien/planten (voorbeelden in het boek)

– en in de lijn van dit laatste geeft Mme Zsazsa eigenlijk bijzonder veel info over hoe je oogst kan spreiden ver buiten wat de zaaischema’s in klassieke boeken aangeven. Ik heb plots het gevoel dat ik uit mijn mini-moestuintje dubbel zo veel zal kunnen halen als wat andere gidsen en zaadpakjes mij voorschrijven. En vooral: dat het min of meer moet lukken om die ellendige alles-smaakt-naar-‘uit-de-diepviers’-periode zo kort mogelijk te houden.  Verfrissend! Verademend! Knap!

4) De recepten: ik weet het, als je niet gewoon bent vegetarisch te koken, dan heb je de helft van de ingrediënten niet alleen niet in huis, maar weet je meestal ook niet wat ze zijn, laat staan hoe ze smaken. Maar vergeet niet: al deze recepten zijn uitgebreid getest. Dus ga één keer naar de winkel om al het onbekende in te slaan, en waag het erop. Maar bovenal, bovenal, en dat is werkelijk de schitterendste vondst ooit, staat bij al deze recepten a) of je ze van de dag voordien al kunt maken (of welke delen ervan) en b) of ze ook de volgende dag nog lekker zijn. (Neen, a en b zijn echt niet noodzakelijk hetzelfde.) Ik ben werkelijk totaal verrukt van dit idee. Hoe vriendelijk voor de kok! Voor het gezin! Vanaf nu moeten alle kookboeken gewoon zo opgebouwd zijn, vind ik. Want zo’n 30-minuten recepten van Jamie zijn wel superlekker, haalbaar na school- en werkdag, èn effectief in 30 minuten klaar te maken, maar het blijft een hyperportie turbokoken, waarna je met natte plekken onder je oksels aan tafel neerstort. Terwijl hier, o heil, alle liefde voor de kokende medemens die op de ochtend van een feestje wakker wordt en de lippen in een tevreden: ‘o, alles staat al versgemaakt klaar in de berging’-glimlach krult. Heil aan Dorien!

Dus, dames en heren, een boek dat ook u moet kopen. Absoluut.

U zegt? Dat een recensie ook altijd kritiek heeft? Wel ja, eentje dan: er wordt nergens (of maar weinig) over geld gerept. Ik besef goed dat een boek over zuinig moestuinieren niet aantrekkelijk is, maar er is een niet-uitzetbare knop in mezelf die altijd aan de mensen met een laag inkomen denkt, en in gedachten die potaarde, die potjes, de compost, de zaden, de serre, het gereedschap, enz. samen zit te tellen. Toegegeven, ook Mme Zsazsa verwijst naar de kringwinkel voor potten en het containerpark of wc-rollen voor kiemplantjes, maar er zitten nog veel verscholen kosten in. Ik zou er dus een blad hebben bijgestoken met alle benodigdheden voor een moestuin, en vervolgens de opties waar je ze allemaal kunt kopen/vinden/ruilen. In het kader van kringloopwerken, transitië enzo. Het zou een beeld geven, denk ik dan, van minimale en maximale onkosten, waaruit mensen naar vermogen of wens zelf kunnen kiezen.

Desalniettemin en toch absoluut: kopen dat boek!

 

Advertenties

Read Full Post »

Het zouden er twaalf zijn. Om en bij. Twaalf omsloten jaren, waarin we geen van beide de ander hebben opgezocht. Geen van beide de ander hebben ontvlucht. Twaalf verstreken jaren, zonder woorden, zonder brieven, zonder handdruk of gedeelde blik.

We houden ons op in het schemerduister van elkaars bestaan. Hangen deinend van voorbije jaren in de banden en kluwens van gemeenschappelijke vrienden en gedeelde relaties. Alles wijkt. Er zijn alleen foto’s die ons en de tijd halsstarrig samen houden en van waaruit we met versteende blikken toekijken op de brokstukken en fragmenten van herinnering.  Soms neem ik brokstukken op. Bevoel met mijn handen de talrijke nerven waarin ons leven zich lijdzaam heeft afgedrukt, soms door het gaan van jaren glad geworden; soms met scherpe randen van pijn. Soms strek ik mijn handen uit tot in het kielzog van zijn leven , en laat er zonder omkijken onbestemde felicitaties, zonnige groeten en kerstwensen vallen. Dan weer gooit hij een wens voor mijn verjaardag als een kiezel tegen mijn raam. Nog voor ik kan opstaan en de gordijnen kan openen, zijn zijn voetsporen al weer verdwenen, en de kiezel onvindbaar, terwijl de tijd zich nogmaals zuchtend omdraait in haar warme nest . Alleen de onbestemde resten van een gedeeld verleden houden ons als een onzichtbare wortelstok bijeen, met alle vrijheid om bovengronds een eigen weg te gaan en uit te groeien tot een leven dat schijnbaar niets meer van het andere heeft.

Hij zou bij me langskomen vandaag. En er is niets wat in die woorden verscholen ligt dat blijk geeft van twaalf jaren stilte. Waar het ene verleden ons ontglipt, houdt het andere zich voor altijd op in de kieren van ons bestaan, plakt het aan de huid, ademt het mee met elke stap die we er verder weg van denken te stappen. Terwijl we al die tijd ter plaatse blijven. Alsof niet wij de tijd doorstaan, maar het de dingen zelf zijn die beslissen om bij ons te blijven of van ons weg te gaan naar een toekomst die we bij gebrek aan kennis verleden noemen. Er is geen terugkomen aan zijn komst vandaag. Wij waren al die tijd, samen, in de onbeweeglijkheid van tijd.

Pas nu, in het terugdenken aan toen, lijkt de tijd haar jaren tussen ons in te schikken. Met elk van haar jaren rekt ze de kloof tussen ons open en stuwt ze ze ongegeneerd vol ballast. Hoezeer ik veranderd zou zijn… Voor hem. Of ook mijn ogen van bij de eerste aanblik van twaalf voorbije jaren zouden getuigen. Of ik nog hetzelfde was als toen, of helemaal niet. Of er jurken en jasjes waren die meer of minder zouden tonen dat de tijd mijn lijf veranderd had. Of hij zou zien wie ik was, of alleen het langzame terugschrijden van jeugd zou zien.  Of ik mooi zou zijn. Voor hem. En of er nog iets zou zijn van toen, of helemaal niets.

Ik schik haren en strijk rokken glad. Kijk mijn schoenen na op sleet en wissel op het ogenblik dat de bel gaat nog een halsketting en oorringen. Ik ga naar de deur met in mijn armen het gewicht van twaalf volle jaren, en het is niet tot voor ik de deur open, en hij daar voor me staat, dat ik die jaren vol in zijn gezicht lijk te gooien. De tijd geeft een ruk aan de lappen van ons leven, die tot dan nog bol en glad in de wind hingen, tot ik op een zee van plooien sta waar ik hopeloos over struikel.

Hoe hij veranderd is. Hoe ik vergeten was hoe groot hij is. De verbazing om mijn verbazing dat hij zoveel ouder geworden is. En hoezeer hij het is.

We weten het niet meer. Of we elkaar vroeger begroetten met een handdruk of een kus. En dus kijken we maar,  naar elkaar, daar bij de deur, naar elkaars ogen, en doen helemaal niets. Zeggen zelfs niet dat het toch lang geleden is. Dat hij in niets veranderd is. Dat hij zo onherroepelijk anders is. En vinden dan rust in gewoontes en routines. Twee mensen in hun dertig, ouder dan wat twaalf jaar geleden was, kabbelend om elkaar heen met vragen en praatjes. We bieden koffie aan en thee, nemen koekjes, halen één keer maar een herinnering op, en praten verder over al wat nieuw is in onze levens. We praten. We lachen. We stellen vragen en weten wat het antwoord zal zijn. De tijd maakt haar kloven schoon van ballast, likt haar wonden, en maakt alles rond terwijl haar golven de scherpen randen polijsten uit de kieren van de tijden van afwezigheid. En er is niets aan jou, mijn vriend, dat niet is als toen. Er is niets aan mij dat nog weet of je huid toen anders was, je ogen harder, je mond nog steeds afwachtend en zacht verglijdend in milde ironie. En ik denk, mijn vriend, ik hunker in gedachten: vraag het me. Vraag me of ik ooit van jou gehouden heb. Vraag me of ik het heb gevoeld, wat jij altijd voor mij voelde. Laat me één keer zeggen: ja’. Laat me zeggen ‘ja’, ik hield van je. Er was alleen maar houden van. Laat mij vertellen hoezeer ik wenste dat ik je ogen van zoveel dichter had gezien. Dat ik je lippen één keer had beroerd. Eén keer maar. Om dan af te dwalen langs je huid, je hals, de kraag van je hemd, de geur van linnen en huid, de huid van je armen, die ik als eerste van je zag toen je in de schaduw van de wilde kastanjes je hemdsmouwen over de aderende meanders van je pezige onderarm oprolde. Hoe je toen zonder de minste zin om interesse te tonen naar me opkeek, terwijl je vriendin ons aan elkaar voorstelde. Hoe ik meteen verloren was. En van je hield. En nooit meer kon ophouden van je te houden.

Ook toen al stuwde de tijd haar golven om ons heen. Er waren weken, maanden zelfs, dat geen van ons de ander miste. Geliefden kwamen in en uit mijn leven. Ik deelde met hen wat geliefden delen, en er was niets in mij dat jou nog miste. Voor jou en je geliefde lagen stormen op het pad. Jullie pijnigden elkaar afwisselend met aantrekking en afstoting, in lange periodes van alles verterende liefde, en kortere van nijd, afkeer en verdriet. Nooit zochten we troost bij elkaar, maar steeds bij een ander. En toen je eerst omfloerst, en later zonder omwegen vertelde van je liefde voor mij, kon ik alleen maar zwijgen, lachen, afleiding zoeken, zeggen dat je alleen een surrogaat zocht voor de ware die het nu even weer had uitgemaakt en je mij niet nodig had. Heb je ooit, mijn vriend, gemerkt dat ik niet ‘nee’ zei. Dat ik je liefde nooit beantwoord, maar ook nooit afgewezen heb? Dat alles in mij schreeuwde dat ik jou wou, maar het nooit zeggen kon, omdat je geliefde een hartsvriendin was, soms omdat ik zelf een geliefde had, maar altijd omdat we niemand zo hard kunnen kwetsen als onszelf.

Gelukkig zouden we niet geworden zijn, samen. Nu je hier voor me zit, en we praten, en we lachen, weet ik dat vele delen in mezelf hun plaats niet zouden hebben gevonden bij jou. En hoe vele delen van jou ondraaglijk zouden geweest zijn voor mij. Maar de hunker houdt niet op door wat het hoofd ervan weet. Daarom wil ik dat je het vraagt. Dat ik het één keer maar kan zeggen, dat ik wou dat ik het één keer had gezegd, toen, in die andere tijd van samen zijn, en dat we één keer als geliefden het bed hadden gedeeld, en ik met mijn huid en handen tot onder het hemd gekomen was dat je nu in de zetel voor me langzaam tot je ellebogen oprolt.

We zeggen niets.

 

 

 

Read Full Post »