Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for november, 2015

Terwijl Wouter me met herwonnen levensvreugde wil behangen, omzwachtel ik mijn lijf met de woorden en beelden die me resten. Als een omslagdoek sla ik de lappen van mijn herinnering rond mijn schouders en knoop ze vast onder mijn borst. Geen beelden of gezichten, maar geuren
en geluiden, zoals het slepen van de voordeur, koppig rechtop terwijl de muren langzaam door hun knieën zakten. De geur binnenshuis op een warme zomerdag wanneer de aardse damp van een plotse regenbui opsteeg van de cementtegeltjes in inkomhal en keuken. Het oprakelen van kolen ook, en de klap waarmee het deksel terug op de kachel werd gegooid. Als appels in een mand berg ik deze herinneringen op in de kuil tussen omslagdoek en borst en haal ze op naar behoefte. Hoe ze daar stond, soms, in de boomgaard, speurend naar schade wanneer een voor- of najaarsstorm de takken op hun weerbaarheid had getest en de geselende wind de oude bomen bijna uit hun knoken had geschud.
Hoe ze altijd nog wel één volmaakte appel vond tussen die ravage van bladeren en afgeknapt hout, vrij van rot of vraat, die ze
achteloos opblonk op haar dij terwijl ze de boomgaard verder monsterde op verval. De geur, vooral, van de houten wasspelden die ik voor haar opdiepte uit de katoenen tas die ze van een afgeleefde keukenhanddoek en een wars geplooide kapstok had gemaakt.
‘Geef er mij eens drie voor die lakens’, vroeg Irène. ‘Anders slaat de wind ze nog kapot’.
Ik gaf drie wasspelden aan waarvan ze er eentje tussen haar tanden klemde en de andere twee in schijnbaar één beweging op het wasgoed prikte. Nog terwijl ze de derde wasspeld op het laken vastmaakte, boog ze alweer voorover, haalde een nieuw stuk witgoed uit de mand en trok het strak in de linie van de waslijn. Opnieuw gaf ik twee wasknijpers aan.
‘Wacht even.’ murmelde ze langs de wasspeld tussen haar tanden heen. ‘Wacht’. Ze haalde de wasknijper tussen haar lippen vandaan. ‘Ge moogt ze wat trager geven, want die keukenhanddoeken hang ik per twee. Zo: de rechterhoek van de eerste over de linkerhoek van de tweede, en dan met één wasspeld erop.’
‘Is dat beter?”
‘Neen, maar anders heb ik wasspelden tekort’.
Grinnikend boog ze voorover en rommelde in haar wasmand op zoek naar nog meer vaatdoeken.
‘Hier’, wees ik.
Licht steunend nam ze de handdoek en met één hand leunend op haar dij kwam ze met enige moeite terug recht.
‘ Ik versta toch niet hoe ik aan zoveel keukenhanddoeken kom in de was.’
‘Misschien door confituur te maken?’ Ik had ondertussen kennis gemaakt met het enorme gemors waarmee het vullen van confituurpotjes bij Irène gepaard ging.

Ze hoofdschudde met nog steeds een lichte frons op haar gezicht. ‘Neen, ik versta het niet.’ En dan met een glimlach en korte aai tegen mijn wang: ‘Maar ’t had gekund, lief kind.’

Het meeste hield ik van de windstille dagen waarop ze ons zwijgende samenzijn doorbrak met gezang. Zonder schroom of aarzeling zette ze de liederen in die ze zelf als kind had geleerd, misschien haar moeder nog had horen zingen terwijl ze samen het wasgoed tussen de bomen hingen. Liederen over tragische maar onvoorwaardelijke liefdes, eindeloos aaneengeregenstrofen van vrouwen die afscheid namen van mannen in
de oorlog en haarlokken bewaardenonder hun kussen; liederen over armoede ook, met hongerige zwervers en verloren kinderen die meer dan vandaag de realiteit van elke dag uitmaakten.
Ze leerde me Schubert kennen, die de van wereldse gevoelens niet gespeende zuster Antoinette haar pupillen had aangeleerd ter gelegenheid van het bezoek van de aartsbisschop aan de Sint-Vincentius lagere school. Keer op keer liet Irène de strofen opnieuw door de boomgaard rollen
en flitste Die Forelle langs het wasgoed heen. De woorden tuimelen nu nog over mijn lippen naar buiten terwijl ik me toch niet voor de geest kan halen hoe ze eruit zag wanneer ze zong.
Maar geen enkel lied kon zich meten met het Credo van de Landman, dat Irène met ongewone eerbied voor zich uit zong terwijl het wasgoed stil viel inhaar handen en de windstille zomer rondom ons aan kracht herwon. Het was alsof voor Irène geen lied de schepping dichter evenaarde dan dit, en nu nog, in al mijn agnosme, heb ik moeite het lied zonder gevoel van ontzag voor me uit te neuriën.
Mijn eigen kleine versjes, die ik op school uit het hoofd moest leren en voor Irène opdroeg, stuiterden als onbezonnen lammetjes doorheen de volheid van de liederen die Irène voor me zong. Zo vorderden we, stuk per stuk, en lied na lied, van appelboom tot perelaar met de wind in onze oren en de geur van schoon wasgoed om ons lijf
Advertenties

Read Full Post »