Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for februari, 2017

Bij een eerste ontmoeting vragen mensen graag van waar je bent. Daarbij mag dan een onderscheid worden gemaakt tussen waar je bent geboren, en waar je tegenwoordig woont. Dat ik uit West-Vlaanderen kom, leidt afwisselend tot positief gefilosofeer over de ondernemingsdrift van West-Vlamingen enerzijds, of tussen beleefd geduld maar doorgaans belachelijk uitgevoerd imitatie-West-Vlaams van niet-West-Vlamingen (elk zijn afwijking, nietwaar 😉 ) . Dat ik uiteindelijk in een gehucht in de Vlaamse Ardennen ben beland, leidt altijd, steevast en zonder uitzondering tot de vraag: ‘Hoe ben je dáár beland?’.  Aangezien ik wekelijks jobsgewijs meerdere nieuwe mensen ontmoet, valt de vraag mij ook wekelijks voor de voeten, en leid ik ook wekelijks af dat de Vlaamse Ardennen een oord is waar men blijkbaar niet geboren kan zijn, en – indien toch – dan blijkbaar snel terug uit weg wil gaan. Edoch: meerdere West-Vlamingen in mijn gehucht, meer nog: in mijn straat, én collega-bloggers als Eigenwijze Tuin en (de helft van) Buikberg bewijzen dat de Vlaamse Ardennen een oord is waar West-Vlamingen ook bewust voor kunnen kiezen en wel degelijk in gedijen.

Wat mijn redenen zijn om hier te belanden, is eigenlijk van weinig belang (de liefde, uiteraard, voor de man in de eerste plaats, voor weidse landschappen in de tweede plaats). Eerder en veel meer opvallend is de verschuiving in associatie van de mensen die mij de vraag stellen. Tot twee of zelfs één jaar geleden zag ik mijn antwoord ‘in de Vlaamse Ardennen’ doorgaans geassocieerd worden met een lichte paniek die zich van veel burgerlijken eigen maakt wanneer zij met ‘natuurliefhebbers’ geassocieerd worden. Als ik in een dergelijk gehucht kom wonen, kan het niet anders of ik hou van de natuur. Meer nog: ik ben ‘een groene’ (al dan niet met hoofdletter en uitroepteken erbij). Hoogstwaarschijnlijk heb ik dan een moestuin. Ik kan wellicht zelfs naaien. Mijn kinderen worden verdacht naar Freinet te gaan (Zoals Van Veen het altijd zo mooi zegt: ‘in mijn tijd was dat een school voor eigenaardige kinderen’ 😉 ) en negen kansen op tien dat ik in mijn vrije tijd iets doe met keramiek of bach-bloesems. Ruik ik trouwens niet naar patchouli? Iets in de stijl van die mannen bij Natuurpunt, toch?

Sinds twee of minder jaren, verschuift de blik van mensen die me vragen waar ik woon. Mijn boerse gehucht blijkt plots met ‘De zwalmstreek’ te worden geassocieerd. De boerse weiden rondom mijn huis heten plots ‘landerijen’ en de bouwvallige schuren worden verdacht ‘stallingen’ te zijn. Elke wens om ‘op de boerenbuiten’ te wonen, blijkt in velerlei ogen een verborgen wens om van een boerderij (pardon: hoeve) een villa te maken en de graslanden om te vormen tot paardenwei. Een mens op de boerenbuiten is een burger met geld geworden die alle onderzoek naar leefbaarheid negeert in een onnadenkend streven zijn rijkdom met landgoed te etaleren. Mijn groene gedachten zijn verdachte gedachten van Sint-Martens-Latem-gerelateerde golfbeoefenaars geworden.

Ik overdrijf, natuurlijk, omdat bloggen daarvoor gemaakt is. Maar overdrijven gebeurt altijd op een vlotje van waarheid. Nog maar enkele weken geleden, tuffend naar het werk (ik beken: met de wagen) hoorde ik een nieuwslezer vertellen dat er steeds meer bouwgronden ‘op slecht gelegen plaatsen’ beschikbaar zijn. Terwijl ik in gedachten aan overstromingsgebieden of vervuilde fabrieksgronden dacht, vertelde de nieuwslezer waar die slechte gronden dan wel waren: op het platteland.

Tuffend naar mijn jobje besefte ik wat ik natuurlijk al heel lang weet: dat kiezen voor groen heel vaak met ongroene levensgewoontes gepaard gaat. Twee auto’s, om maar iets te zeggen. Heel veel heen- en weergerij ook. Onnodige afstanden, enz. Mijn groene keuzes zijn plots aan anderen te verantwoorden ongroene keuzes. En het voelt bijzonder vreemd dat enkele politieke beslissingen, gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek over leefbaarheid waar ik behoorlijk achter sta, mij plots zo anders door het raam doen kijken wanneer ik met een kop koffie in de handen van door het raam de schaapjes in mijn tuin overschouw.

En telkens weer, wanneer ik mijn natuur-onvriendelijkheid besef, ondanks alle inspanningen die we leveren om die te beperken (diepvries, weekmenu’s, georganiseerde schema’s voor minimaal vervoer, enz.) dan denk ik telkens: maar weegt dit op, dit gestigmatiseer van plattelandsbewoners, tegen de deugd van rust die het platteland ons brengt? Of eenduidiger: hoeveel burn-outs zouden er niet zijn, als al die groen-lasterlijken naar de stad werden gebracht? En wat zou daarvan dan de kost op de samenleving zijn? En hoe dankbaar moet ik zijn, dat ik hier kan wonen? Moet ik mij schuldig voelen, of dankbaar zijn?

Zo drinkt mevrouw onderdeappelboom haar koffie. Misschien zou thee milieuvriendelijker zijn. En zijn die Vlaamse Ardennen nu heus het rijke Zuiden tov de arme noorderlingen in een stad?

Mevrouw onderdeappelboom heeft nog geen antwoord. Verwarrend, dat is het wel. Zouden bachbloesems soelaas bieden? Of toch maar verkavelen in een vlot bereikbare randgemeente en tijdens het weekend een uitstap maken naar de natuur?

 

Read Full Post »

Wie vandaag geen kinderen naar hobby’s moest brengen, afspraken had of feestjes in de agenda had staan, was in de tuin te vinden. Wegens drie hobby-afspraken, een verjaardagsfeestje (elders), een opendeurdag, een geplande fietstocht de zaterdagboodschappen en de algehele planning zou ik alleen maar even wandelen door de tuin. En heel misschien de oude bladeren van de helleborus afknippen. Misschien kon ik dan toch de opendeurdag overslaan, want er waren heel wat opkomende knolletjes waar ik het oude blad misschien van weg kon halen. En mos. Zoveel mos. Ook dat zou dan weg kunnen. En als de echtgenoot nu eens de boodschappen deed?

Zeven uur later was de helft van het binnentuintje lenteklaar, was het kweekschuurtje helemaal schoongemaakt en alle oude aarde weggeveegd. De terraspotten waren leeggemaakt en met de zonen schoon gewassen. We gingen naar drie hobby’s, kochten cadeaus voor verjaardagsfeestjes, en schrobden toen tuintafels en vensters van kweekkotjes. Na een koffie met vier mama’s, een muziekles, het opmaken van ons weekmenu, het opbergen van de boodschappen en het opruimen van de keuken, was het 17u45 maar leek het gek om niet ook nog even het gras af te rijden terwijl man en zonen de bladeren samen harkten die sinds oktober waren blijven liggen waar ze vielen. Terwijl ik de sputterende motor langs molshopen en over de nu vele kilometers gangen van woelratten laveerde, zag ik hen langzaamaan in een exact gelijklopend ritme komen, hun ruggen in evenwijdige lijnen, hun harken groot en klein dezelfde bewegingen makend, hun hopen van groot naar klein, in lijn met hun gestalte. De grootste harkte steeds meer bladeren samen, de jongste verloor langzaamaan zijn blik in de rooswitte vliegtuigstroken boven de ondergaande zon, en de middelste was stilaan zo moe dat hij rondjes begon te draaien in zijn bladerenhoop.

Ik dacht terug aan de drie volle kruiwagens winterafval van vandaag. Hoe je bij het lentewieden altijd weer de zomer van het jaar daarvoor naar buiten plukt. Playmobielmannetjes onder de samengeklitte bloemblaadjes van afgevallen rozen. Toen een dorp gecreëerd werd in de binnentuin. Tennisballetjes onder de verwelkte stelen van de dahlia’s, waar poes ’s zomers haar luie potenspelletjes houdt. Een tupperwarepotje, een bolletje touw, het blaastuitje van een bellenblaas. Een koffielepeltje. Een stapel wasspelden en schelpen. Signalen van een gebrek aan opruimlust natuurlijk; van te weinig gecoördineerde opvoeding richting nette tuinen ook. Maar bovenal signalen van zomers van vorig jaar. Signalen, van de werelden die kinderen optrekken in tuinen, bij regen en zon, omdat hun hoofden anders denken dan de onze.

Ondertussen krijgen de nieuwe verhalen al vorm. Het geraamte van de serre is behangen met takken van de kerstboom, boven de ligzetels prijken bamboestokken, oude planken worden beschilderd en papier en kleurpotloden getuigen van talrijke plannen. Alleen onder de dwingende belofte dat we onze moestuin verdubbelen en elk kind zijn eigen bak en stuk van de serre krijgt, krijg ik ons buizengestel wellicht terug om er weer een serre van te maken. En ondertussen waren we toch al elke avond van deze week buiten zon en lente op te slorpen.

Een collega zei ooit: ‘Pas als de daslook bloeit, is het écht lente.’

‘Arme jij’, dacht ik. ‘Tegen dat de daslook onder onze bomen straks bloeit, is het in mijn hoofd al zomer :-)’

 

 

 

 

Read Full Post »