Feeds:
Berichten
Reacties

Rapporteren naar waarheid, een gouden regel op de werkvloer, geldt evengoed aan het thuisfront. Dat betekent dat je het gewoon zegt als het fout loopt (waarover dan ook niemand erg veel poespas maakt, omdat het normaal gevonden wordt), en dat betekent dat je het ook durft zeggen als het goed loopt.

Zondag liep het erg goed. De zon was warm, de wind vond de weg niet zo goed rond ons huis, en op het terras waren spijs, drank en vrienden. ‘Ik hoop dat het morgen nog mooi weer is,’ zei de vriendin. ‘Ik ook,’, zei ik, ‘want ik zou nog in de tuin willen werken.’ ‘Ja, ik ook,’ zei de vriendin. En we bleven zitten waar we zaten en schonken ons nog een glas in terwijl de zon steeds warmer werd en onze gezamenlijke kinderen ver weg in de tuin – aan de einder leek het wel – in een fantasiewereld terecht kwamen waarin houtskool (van het kampvuur van de avond daarvoor) zoveel uren laten een heel belangrijke rol bleek te hebben gespeeld (maar niets wat douche en wasmachine niet verholpen kregen).

IMG_0504

Deze morgen zag het er niet meteen uit alsof de dag veel droogs zou brengen. En de wind liet zich geen tweede dag misleiden (moestuinbakken op deze foto grotendeels van bij de buren) .

IMG_0550

Maar oudste zoon en ikzelf kropen in werkkledij en laarzen, trokken muts of kap over het hoofd, en gingen gezamenlijk het onkruid te lijf.

IMG_0552

En dat onkruid bleek (met uitzondering van een zich lastig uitzaaiende sleedoorn) best wel mee te vallen. En (rapporteren naar waarheid:) de zaailingen van groenten bleken het bijzonder goed te doen. Ondanks een grote zin voor slow-motion sinds de koude temperaturen opnieuw zijn ingezet, staat alles wat we gezaaid of geplant hebben al boven. En dat is best wel wat: wortels, meiraapjes, veel soorten sla, radijzen, spinazie, aardappelen, erwten, kapucijners, peultjes, uitjes, warmoes, rode bietjes, look en tuinbonen. Waar de rijtjes niet volledig zijn opgekomen, zaaiden we bij.

Ondertussen dook dochter de garage in en hoorden we hoe ze af en toe eens haar vader sommeerde om wat hulp te bieden. Een half uurtje later kregen zoon en ik zowaar een zelfgemaakte onkruidzeef cadeau.

IMG_0556

En dat werkte perfect! De bedden zijn nu grotendeels onkruidvrij, er werd vanalles bijgezaaid, en meneer onderdeappelboom kwam nog eens langs om te constateren dat het uitplanten van kolen rond 15 april ook perfect werkt. Dat zit zo: dochter keek een keer of twee naar ‘het goeie leven’, ontmoette Wim Lybaert op de boekenbeurs, en besliste vervolgens dat ze een wedstrijd zou houden met zichzelf als jurylid. Daarop verdeelden we de groentenbakken onder het hele gezin, en besloot meneer onderdeappelboom iedereen de loef af te steken met Extreem Vroeg Geteelde Kolen. Oudste zoon onderdeappelboom koos categoriek voor Van Alles een Rijtje, terwijl kleinste zoon onderdeappelboom alleen maïs wil, voor op de bbq. En mevrouw onderdeappelboom: die probeert in nuttigheidstermen te kweken wat de anderen vergeten. Sja, iemand moet het huishouden recht houden, nietwaar 😉

Overigens: mijn rond 10 april al in de serre uitgeplante tomaten doen het ook niet slecht… Traag, maar goed (rapporteren naar waarheid…) En de andere staan te popelen om mee in volle grond te mogen…

IMG_0557 IMG_0558

Tot slot aten we deze avond een slaatje uit eigen tuin. Slaatjes die ik normaal meng, samenstel en presenteer op een leuk bord. Maar dat mag nu niet meer. De jury moet blad per blad afzonderlijk kunnen proeven en beoordelen… (van mij gaan overigens 12 punten naar bladmosterd… Bladmosterd, 12 points).

IMG_0569

Advertenties

(lees eventueel eerst het voorgaande deel)

Mijn omgeving hielp niet. Tegen wie ik ook zei: ‘De borders gaan eruit’, telkens weer kwam de tegenreactie: ‘Je bloemen?! Nee, dat ga je toch niet doen?’

Steenbokjes hebben echter een sterke wil. En hoe hard het vooruitzicht ook was: ik wist dat het de enige manier was om meer tijd te hebben voor kinderen, familie, vrienden, manlief (god weet: misschien zelfs voor mezelf! 🙂 ).

Op een blauwe maandag vertrok ik in de vroege ochtend naar mijn werk, terwijl meneer onderdeappelboom en schoonpapa hun gereedschap slepen voor de ingrijpende operatie. ‘Je ben het zeker hé?’, vroeg meneer onderdeappelboom bezorgd. ‘Het moet,’ knikte ik.

Die avond, een mooie herfstdag met roodgeel avondlicht en nog wat zomerwarmte die als nevels tussen de bladverliezende takken blijft hangen, zag de tuin er anders uit. (foto vanop een andere dag, weliswaar…)

tuin3

 

‘Het ging beter dan verwacht’, zei meneer onderdeappelboom. ‘Ik heb in één keer zelfs al je kasseien kunnen uithalen’, zei schoonpapa. ‘En alles is ook al in het containerpark,’ vulde meneer onderdeappelboom aan. Want hoe ecologisch ik ook wil zijn: mijn verstand is soms zwakker dan mijn hart. Hoewel ik wist dat het fout was, kon ik de gedachte niet aan dat mijn planten elders zouden staan. En in een andere tuin de tuinier gelukkig zouden maken terwijl ik het zonder dat geluk moest doen. Naar het containerpark, was de boodschap dus. Alleen enkele bijzondere planten (de roos uit de tuin van grootvader, de phlomis van Ben-uit-de-commentaren, de margrieten van grootmoeder, enz.) waren vooraf al uit de borders gehaald en zou ik gebruiken om ook in het binnentuintje wat herstel te plegen na overwoekering door anemonen, mos en kruipende boterbloem. Daarmee was alles dus klaar voor het inzaaien van een piekfijn gazonnetje. Want al zien de stroken aarde eruit als het begin, het zou vooral het einde zijn. Van werk. En bloemen. We dronken er een glaasje wijn op. Hèhè, nooit meer in de borders wieden ten koste van de kinderen! Ik keek zo blij als ik kon…

 

tuin4

 

De volgende dag, na het werk, liet meneer onderdeappelboom weten dat hij even weg was. Niet lang. Een half uurtje ofzo.

Bij terugkomst bleek hij met de remorque vertrokken te zijn. En bij thuiskomst nam hij de kruiwagen, reed er een keer of drie mee naar de kar, en haalde daar allerlei wortelkluiten uit die hij in het gras naast de vroegere borders zette. ‘Zo,’ zei hij, ‘dat is wat ik in het containerpark nog terugvond en dacht te herkennen.’

‘Maar wat doe je nu?!’ riep ik.

‘Ik zie het toch aan je ogen’, hoofdschudde meneer onderdeappelboom. ‘Jij kan dat niet, zonder bloemen. Zorg maar dat je er tegen de lente een plek voor hebt.’ En na een pauze. ‘En ik mis die borders ook.’

De hele winter lang bleven de wortelkluiten op het gazon liggen. Ik keek ernaar in een voortdurende ja-nee-discussie met mezelf. ‘O joepie, weer bloemen’. ‘Nee, geen bloemen, daar heb je geen tijd voor. ‘Maar gewoon een klein perkje dan.’ ‘Je kent jezelf, jij kan dat niet: kleine perkjes.’ ‘Ik moet toch ook aan de bijen denken.’ ‘Die bijen zijn maar een excuus, dat besef je toch ook?’.

‘Wat ga je met die grond doen, nu?’, vroeg de mama van het buurmeisje op een winterdag (aanpalende tuinen, met wederzijdse instemming zonder haag, waardoor onze praatjes zowat altijd over elkaars tuinen gaan :- ).

‘Ik twijfel,’ zei ik. ‘Ik wou er gras op zetten. Maar als ik één iets geleerd heb, is dat je gras nooit meer weg krijgt. En er zijn dingen die misschien toch leuker zijn voor de kinderen dan gras.’

‘Leg er gewoon plastic op,’ zei de mama van het buurmeisje. ‘Een leven verandert zo snel.  Misschien heb je binnen een paar jaar wel weer tijd voor bloemen.’

Kijk, dat had ze nu niet moeten zeggen 🙂 Alleen: plastic is natuurlijk niet zo mooi. Houtschors dan misschien? Wacht, als ik daar voor de kinderen nu eens boomstammetjes zou op plaatsen? Of iets met water? Waar was pinterest nu ook al weer. Ha: speelnatuur, levert leuke ideetjes op!

Maar goed, ook daarvoor ontbrak natuurlijk de tijd. En wat was het nu, dat ik wilde van het leven? Waarom werd ik zo enthousiast van tuinplannen en zo moe van mijn (weliswaar mooie) job? Eén en ander evolueerde tot een doktersbezoekje en een week voorgeschreven rust. ‘Gho, zei de dokter, ‘je zou eens moeten weten hoeveel mensen het leven maar aankunnen omdat wij ze regelmatig eens twee weken thuis geven.’ Zo erg was het gelukkig niet gesteld, maar het zette aan tot denken… En dat ik in die thuisperiode, zelfs toen het nog slecht weer was, onafgebroken buiten was, bankjes timmerde, houtschors zocht, ja zelfs weer greppels groef en zowat alle kasseien terugplaatste (nogmaals sorry, lieve schoonpapa), wat betekende dat?

Die vraag was na een week nog niet beantwoord. Maar de planten op het gazon? Die hadden elk een nieuwe plek: naast het bankje, in de binnentuin, en voor een strook met boomstronkjes. Meneer onderdeappeboom had het talent gehad om er net mijn lievelingsplanten terug uit te halen: twee pioenen, een cultivar van fluitekruid in roze tinten,… En ook twee hortensia’s: die zijn dan wel helemaal mijn lievelingsplanten niet (integendeel) maar ze pasten wel perfect bij mijn plan om tussen de bloemen meer bloeiende struiken te hebben, waarachter het boomstronkjes-parcours langzaam verborgen kan raken.

 

tuin2

En nu ik toch bezig was: ook wat oude tegels en een bankje kregen een nieuwe plaats. Niets werd vastgezet, gecementeerd of gebetonneerd. Het leven is veranderlijk, dat heb ik van de mama van het buurmeisje wel geleerd :-). Ondertussen zijn de planten gegroeid en is één en ander zich mooier aan het zetten. De guldenroede verpest nog steeds alles, maar die krijgen we er ooit wel uit. En wat de toekomst ook brengt: het is in geen tijd terug aan te passen. Hoewel: behalve die kasseien dan misschien 😉

tuin1

(Speciaal aan al de ambachtelijk begaafde mannen (hopelijk ook vrouwen, maar die reageren dan nooit 🙂 ) die hier meelezen: ik weet dat deze kasseien krom liggen; dat komt nog goed; een week is ook niet eindeloos en de werkende mens moet keuzes maken 🙂 )

 

Deze blog heeft – naar ik hoop – voor een deel zijn eigen toon gekregen door de eerlijkheid die ik er graag in wou steken. Dit is geen blog van een uitmuntend plantenkenner, niet van een groot fotograaf, en nog minder van een ambachtsmens. Daarvoor bestaan andere en bijzonder genietbare blogs zoals die van Muggenbeet, Eigenwijze Tuin, de Biodiverse Tuin, Natuurlijk-Rijk, Menck en de Fruitberg. (En ook nog heel wat andere fijne blogs, ik noem nu maar even de nog levende blogs die er waren of net ontstonden toen ik ook met het bloggen begon).

Mijn blog was altijd net iets meer ‘het leven zoals het is’. En kan gelezen worden zoals we ook naar dat soort programma’s kijken: met een mengeling van afschuw en geruststelling. Althans dat hoop ik. Op dit logje toonde ik dan ook schaamteloos hoe onkruid mijn prille border torpedeerde en haast tot zinken bracht. Ik liet u mijn schietgebedjes aanhoren toen ik de Schepper om bijkomende informatie vroeg. En ook in de moestuin kon u zien hoe de wildernis altijd sterker was dan mijn plannen.

En toch: ondanks al die eerlijkheid, heb ik u met de borders grandioos bedot. Belazerd en bedonderd. En een rad voor ogen gedraaid. Want ik postte mooie foto’s als deze:

DSC_0019

en deze:

DSC_0012

Foto’s die een plek laten zien waarvan ook ikzelf denk: waaw, daar wil ik wonen. En ik woon er natuurlijk ook. Maar zo zien de borders er eigenlijk niet uit. Ze tonen namelijk niet de dode lavendelplanten die achter de nepata verstopt zitten. Ze tonen niet hoe de scharnierbloemen al 4 m² van de border hadden ingepalmd. Hoe de Japanse anemonen een veroveringsdans over floxen, pioenen en duizendblad hielden. Hoe 30 nieuw aangeplante planten er instant het loodje bij neerlegden, en hoe gras en kruipende boterbloem een centimetersdik tapijt onder alle vaste planten hadden gelegd.  Hoe de borders in een woestenij aan het veranderen waren waarin je de verschillende planten niet meer van elkaar kon onderscheiden en inzag hoe snel het er terug als een gazon zou uitzien. En dan vergeet ik nog één en ander.

Dus ik wilde jullie niet bedriegen, maar koos de hoek waarin de border toch nog mooi leek. Ik plaatste het fototoestel op een hoogte waarop onkruid onzichtbaar was. En ik wachtte tot het gazon nog eens gemaaid was, om de indruk van netjes afgeboorde borders te wekken.

Voor tuiniers is dit geen echt bedrog. En als het bedrog is, dan is het het type bedrog dat de liefde voor tuinieren mogelijk maakt. Want wanneer ziet een tuinier de werkelijkheid? Telkens weer wieden en planten we in het voorjaar, zonder te zien wat er voor ons staat. Terwijl we de bloei van het vorige jaar wegsnoeien en dor hout of verlepte stengels weghalen, zien we al de tuin zoals hij er binnen enkele weken of maanden zal uitzien.  Als we snoeien, ruiken we al de toortsen van de jasmijn die er nog moeten aankomen, en zelfs als we midden in de zomer planten terugsnoeien denken we niet aan het seizoen dat voorbij is, maar lopen we in gedachten al langs de tweede bloei, en zien we al hoe die in het langzaam neerhangende licht van een beginnende herfst extra diep zal afsteken. ‘Kijk maar goed, er staat niet wat er staat’ is van alle kunsten nog het meest op tuinieren toepasbaar. En als een tuinier bedrog pleegt, dan bedriegt hij nog het meest zichzelf.

Maar goed, die borders, daar heb ik ons allen dus mee misleid. Neem daarbij een opgroeiende kroost met heel wat interesses, overwerkte ouders die ook graag reizen, een dozijn hobby’s en een pakje te veel moedergevoel, en al gauw lijkt er maar één logische zin om tegen meneer onderdeappelboom te zeggen:

“Die borders…”

“Ja?”

“Die moeten eruit”.

 

 

 

Bloei

Bijna zes jaar geleden kwam het kleinste appeltje bij ons. Op een bloedhete septemberdag wandelden we door de velden op zijn doopdag, en schonken we meter en peter een Magnolia Kobus. Dat had iets met onze zoon te maken uiteraard (wij noemen onze jongens altijd Magnolia…;-) ) Ook onszelf deden we een boom cadeau, en plantten die met heel veel liefde.

Hoewel liefde schijnt te helpen bij planten (en Mozart ook), deemsterde het boompje langzaam weg. We waren gewaarschuwd dat het een moeilijke Magnolia is, die het niet zo makkelijk heeft in onze grond en klimaat, maar van opgeven kon uiteraard geen sprake zijn. We haalden de boom uit het plantgat, en gaven hem een geheel nieuwe plaats, ver van de esdoorn en linde vandaan die vermoedelijk het grootste deel van het grondwater en zonlicht van de tuin voor zich nemen.

Ook daar verdorde het boompje zienderogen. Daarom deden we wat je nooit met bomen mag doen: we groeven nog maar eens een nieuw gat, elders, nog groter, met nog meer losse grond erin, en we verplantten de Magnolia een derde keer.

De voorbije twee jaar zagen we langzaamaan meer en gezondere blaadjes op de boom komen. En kijk eens vandaag, 6 jaar later…

magnolia2 magnolia3

Op de achtergrond zie je de klimtoren van de schommel, waar nu nog volop kampen in worden gebouwd. Op een dag zullen de kinderen groot en de schommel versleten zijn. Tegen die tijd zal onze Magnolia Kobus hopelijk een grote en sterke Magnolia geworden zijn. Meer nog: tegen dan zal ik ook mijn gsm terug voor mijn fototoestel hebben geruild en jullie opnieuw betere foto’s hebben voorgeschoteld 🙂

 

Vroeg was ik, dit jaar. Met het laten kiemen van aardappelen. Het zaaien van pepers en tomaten. Ja, zelfs met het voorzaaien van zomerkolen, erwtjes, peulen, courgettes en pompoenen.

Maar ‘iemand’, was ook vroeg. ‘Iemand’ vond blindelings de weg naar mijn vroege zaaigoed. En ‘iemand’, ging er met het hele zootje vandoor. Wat restte, is een zaaipot vol kuilen en putjes…

putjes

Waar nu de kuiltjes zijn, waren in den beginne de zaden. Van courgettes en pompoenen. Maar die zijn vakkundig uit de aarde gehaald, geopend, leeggegeten, en de lege omhulsels terug op de aarde gegooid.

zaden

Zelfs de gekiemde erwten en tuinbonen zijn terug opgegraven, en van binnenuit leeg gegeten.

tuinbonen

Blinde woede en nietsontziende wraakgevoelens lagen meteen op de loer, maar koel en onversaagd beheerste ik mezelf, slaakte een oerkreet en trok in doodsverachting  mijn rol kuikengaas uit de kast. Aha!!! Mijn zaaipotten zouden vanaf nu een oninneembare vesting worden!

vesting

Twee weken later: kippengaas omhoog geduwd. Alle opnieuw gezaaide zaden opnieuw opgegraven en leeggegeten. En van alle kolen de kiemblaadjes afgebeten waardoor mijn koolplantage er nu uit ziet als Midden-Aarde na de doortocht van de Nazgûl.

Vandaag zaaide ik voor de derde keer. Niet bijster vroeg. Maar wel ver van mijn belagers en gezellig in eigen huis.

Wij gokken overigens op een eekhoorn. En jullie?

 

 

 

 

Er was een tijd dat ik al eens zaag en truweel ter hand plachtte te nemen om aldaar eniger muren, terraskens, poortjens of andere artisanale geplogendheden mede te maken. Edoch: de tijd bracht andere tijdsbestedingen en – vooral, want eerlijk is eerlijk – in mijn hoofd zijn de dingen toch altijd veel mooier dan het eindproduct in de praktijk. En ook: meneer onderdeappelboom is er duizend keer beter in 🙂

Maar toen ik een eerste krokus-foto nam, en vervolgens ontdekte dat die wegens achtergrondrommel te schaamtelijk was om online te plaatsen, besloot ik nog eens in ‘mijn alaam’ te duiken. Want jawel: die stapel scheefgezakt hout op de linkerzijde, overwoekerd door mos, natte steeltjes die ooit poten waren, slechts één armleuning, en een zitvlak dat op de grond neergezegen is, was ooit een fijn bankje.

IMG_0187

Ik bleek bij mijn opknapwerk toch enigszins uit routine te zijn en/of in oude gewoontes te hervallen. Werden ondermeer (her-)ontdekt:

  • een lange plank zagen gaat nog altijd het best als je je voet er bovenop zwiert als tegengewicht (en dan vloeken dat die schragen zo hoog staan)
  • sommige vijzen willen er om raadselachtige redenen echt niet in en als je blijft proberen gaan ze er pas écht nooit meer in
  • soms is één vijs beter dan twee (inzicht na 4 gespleten plankjes)
  • als een vijs er echt niet in gaat is dat soms ook omdat je net daarvoor een vijs uitgedraaid hebt en nog niet op het goede knopje van de vijsmachine hebt gedrukt… (3 keer! En dan dwaas staan kijken naar die vijs… zucht…)
  • ik moet ook echt eens leren wanneer je nu best een vijs en wanneer je best een nagel gebruikt
  • als je twee plankjes verticaal tegen elkaar moet vijzen is het dertig keer zo simpel als je het eerste plankje eerst even op de grond legt en daar alvast een vijsje in draait… (bankje eerst 2 keer op z’n kant doen vallen…)
  • Ook voorboren doet wonderen (doe ik nooit…)
  • zo’n uitgedraaide vijs is vervloekt heet
  • de kop van zo’n vijsmachine die lang heeft gewerkt is ook vervloekt heet (aw!)
  • ’t Is waar wat ze bij moestuinweetjes ofzo zeggen: met (ecover) waspoeder krijg je groenaanslag zonder moeite weg!
  • ik moet dringend eens geduld kweken als ik zo’n werkjes doe

Maar, zeven wijze lessen later, staat er toch weer een bankje rechtop waarop reeds druk wordt gezeten… En ’t staat zelfs nog altijd recht!

IMG_0208

En nu ik toch zo aan het fröbelen  was en van het werken met recuperatiemateriaal genoot, zorgde ik nog voor een tweede zitje onder de blauweregen. Vanzelfsprekend is dit min of meer afgekeken van pinterest en vanzelfsprekend is het een pak minder posh dan op pinterest, maar ook hier: er wordt druk op gezeten en het is zelfs nog niet ingestort! (en ja, het staat heus wel waterpas…) (en ja, die stenen rechts in beeld hadden meer symmetrisch gestaan wanneer ze dichter tegen die andere paal hadden gestaan, maar dat lukte niet wegens ondergrondse wortels)

IMG_0245

Nu alleen nog wat plantjes reorganiseren en misschien voor wat stapstenen zorgen, en het krijgt stilaan vorm. Maar dat, lieve lezertjes, vertel ik jullie een volgende keer…

 

 

Het zijn die dagen waarop de natuur plots laat voelen dat een toevallig lente-achtige dag in de winter ook niet méér is dan een toevallige lente-achtige dag in de winter en allesbehalve een aankondiging van de lente. Het enige wat we er zeker door weten, is dat het nu niet meer lang zal duren. En net dan wordt het lastig natuurlijk. Terwijl we dagelijks met onze neus boven de zaaigrond hangen om te zien of er in de diepte al iets beweegt en ’s morgens vaststellen dat het dan weliswaar al klaar is bij het opstaan, maar zo’n grijs laag wolkendek nu ook weer niet zo bijzonder ‘klaar’ is, is er maar één iets wat de mensheid nog kan redden: een goed boek. En omdat ik jullie zo graag zie, heb ik er meteen drie in de aanbieding. Of toch: de tips daarvoor. Kopen gaan jullie helemaal zelf doen, bij voorkeur bij een lokale boekhandel wiens lentegevoel je daarmee ook vooruit zult helpen.

Drie tips dus. Alle drie uit de non-fictie-afdeling, wat wellicht bewijst dat ik van een zekere leeftijd begin te zijn, en alle drie – zoals een recensent het zo mooi beschreef- met ‘sympathiek, hoewel duidelijk hoorbaar ecorumoer’. Hier komen ze:

  1. James REBANKS, The Shepherd’s Life: a Tale of the Lake District. (Vertaald: Het herdersleven).

Rebanks is schaapherder in het Lake District. Althans: in bijberoep, want de tijd dat het een fulltimejob kon zijn, is verleden tijd. Recensies hadden het bij verschijnen vooral over het grote contrast tussen hoe een toerist het Lake District beleeft, en wat Rebanks ervan toont. Dat zit er een beetje in, maar echte wroeging van Rebanks heb ik daar niet bij gevoeld. Wat eerder bijblijft is dat je dieper gaat begrijpen wat de invloed van land- en tuinbouw (en mens) op het landschap is (een vraag die mij als semi-vegetariër extra intrigeert en waar in veel wetenschappelijk onderzoek nog geen afdoend antwoord op gevonden is). Je leert iets over de kweek van schapen, hoe je kudden runt en hoe de honden daar precies bij kunnen helpen. Je gaat mee naar wedstrijden en foktoernooien. En na 100 bladzijden stel je tot je grote verbazing vast dat je dat nog graag leest ook. Dat schapen een zeer goed onderwerp voor een boek blijken 🙂 Een pageturner is veel gezegd, maar je volgt toch met enige spanning de zompige wintertochten van Rebanks, die zijn schapen op het zicht herkent en liefde voor de kweek (en slacht) bijna poëtisch met de liefde voor het mooie, levende beest zelf tussen de stapelmuurtjes weet te combineren. Je begrijpt de rol van wedstrijden en voelt de spanning die er heerst. Je zou al snel willen dat je de mijlpalen in de groei van je kinderen ook kon aflezen aan de eerste keer dat ze alleen een schaapje mee ter wereld helpen brengen.

Dat Rebanks zijn eigen twijfels niet uit de weg gaat, helpt natuurlijk ook. De ietwat oudere mens in mij vindt het mooi hoe hij eerst keihard van de schapenkweek is weggelopen, om er vervolgens keihard naar terug te keren. Extraatje: je leert ook Beatrix Potter helemaal anders kennen (mocht het blijven regenen, kijk dan zeker ook eens naar de film Miss Potter, die er ondanks wat mankementjes heel mooi in geslaagd is te tonen wie de mens Beatrix is, en wat ze voor het Lake District betekend heeft). Kortom: naar bib of boekhandel gaan, en snel tot de vaststelling komen dat je een boek over schapen gelezen hebt en dat nog leuk vond ook.

2. Morten STROKSNES, Haaienkoorts (Oorspronkelijk: ach, dat zullen we maar laten vallen zeker? 😉 Iets met ongewone letters 🙂 )

Mocht je je al afvragen of je het leuk zou kunnen vinden om non-fictie over schapen te lezen, dan kan je je minstens zo hard afvragen hoe je het in godsnaam leuk zou kunnen vinden om een boek te lezen over twee mannen die in ijskoude Noorse wateren in een bootje wachten tot een loodzware Groenlandse haai met wormen in zijn ogen uit liefde voor stank gaat bijten in de verrotte kaak van een Schotse Hooglander die 300 meter onder water aan hun vislijn bengelt. Edoch. Het boek is magnifique. Nog maar zelden heb ik zo meeslepend het leven in zee weten beschrijven. Stroksnes wisselt moeiteloos af tussen wetenschap en mythologie en beschrijft het onderwaterleven in de Lofoten met een vaart, charme en humoristische woordenschat zoals ik nog niemand heb weten doen (lees: de eigenwijzetuinstijl, maar dan onder water). Dat er ondertussen een avontuur van twee vrienden in een boot bij zit, helpt natuurlijk, maar je hebt al snel door dat dat allerminst de essentie is. Na nog maar een paar bladzijden zit de zilte geur van visdrogerijen en het vet van traanstokerijen in je neus, en wil je maar één ding: nog meer horen over die makrelen, over plankton ‘met de vorm van een wijnglas bekleed met luipaardenvel’, over de wereld van kustbewoners en hoe die verandert. En, natuurlijk, ook: over die Groenlandse haai. De open geest van Stroksnes, zijn enorme leesbagage, en zijn vriendschap met een visser-kunstenaar maken dat je de zee voor eeuwig anders bekijkt (en nog wat extra op je ecologische voetafdruk gaat letten).

3. Peter WOHLLEBEN, Het verborgen leven van bomen (Oorspr: Das Geheime Leben der Bäume)

Wohlleben was zelf ooit houtvester, zoals dat heet. Opgegroeid in een traditie ook die gelooft dat je een bos in zekere mate moet sturen. Ondergroei best kappen, bijvoorbeeld, zodat ze de energie van andere bomen niet afnemen. Soms eens vernieuwen ook. Vanzelfsprekend is de opleiding tot boswachter geëvolueerd en heeft het respecteren van spontaan leven en verrotting ook z’n plaats gekregen in het geheel. Alleen gaat Wohlleben daar nog veel dieper op in, brengt hij al die kennis samen, en slaagt hij erin om toch wetenschappelijk te blijven als hij bomen gevoelens, reuk of hulpvermogen toekent.

Als je al van de verbazing bekomen bent dat je schapen en haaien interessante boeken-onderwerpen vindt, die lezen als een trein, dan zal je je na deze flink verbazen dat je bomen ooit als statisch hout hebt bekeken en er zo roekeloos over nadacht. De vergelijking met schapen en de visvangst is trouwens zo gek nog niet, want Wohlleben toont duidelijk hoeveel eigenschappen bomen gemeen hebben met levende wezens. Hun wortels hebben hersen-achtige structuren waarmee planten elkaar onder de grond kunnen (en zullen) helpen, onze manier van omgaan met bomen is vaak niet minder ingrijpend dan de industrialisering van visvangst, en een bos is als een kudde, waarvan het kuddeleven voornamelijk onder de grond plaats heeft. Dat dit alles dan ook nog eens minstens zo meeslepend is geschreven als de vorige twee, maakt dat ook deze unieke non-fictie is, en  -weeral- vol sympathiek eco-rumoer.

Eén van deze boeken gelezen? Kom mij dan zeker maar vertellen wat je ervan vond!