Feeds:
Berichten
Reacties

Het zijn die dagen waarop de natuur plots laat voelen dat een toevallig lente-achtige dag in de winter ook niet méér is dan een toevallige lente-achtige dag in de winter en allesbehalve een aankondiging van de lente. Het enige wat we er zeker door weten, is dat het nu niet meer lang zal duren. En net dan wordt het lastig natuurlijk. Terwijl we dagelijks met onze neus boven de zaaigrond hangen om te zien of er in de diepte al iets beweegt en ’s morgens vaststellen dat het dan weliswaar al klaar is bij het opstaan, maar zo’n grijs laag wolkendek nu ook weer niet zo bijzonder ‘klaar’ is, is er maar één iets wat de mensheid nog kan redden: een goed boek. En omdat ik jullie zo graag zie, heb ik er meteen drie in de aanbieding. Of toch: de tips daarvoor. Kopen gaan jullie helemaal zelf doen, bij voorkeur bij een lokale boekhandel wiens lentegevoel je daarmee ook vooruit zult helpen.

Drie tips dus. Alle drie uit de non-fictie-afdeling, wat wellicht bewijst dat ik van een zekere leeftijd begin te zijn, en alle drie – zoals een recensent het zo mooi beschreef- met ‘sympathiek, hoewel duidelijk hoorbaar ecorumoer’. Hier komen ze:

  1. James REBANKS, The Shepherd’s Life: a Tale of the Lake District. (Vertaald: Het herdersleven).

Rebanks is schaapherder in het Lake District. Althans: in bijberoep, want de tijd dat het een fulltimejob kon zijn, is verleden tijd. Recensies hadden het bij verschijnen vooral over het grote contrast tussen hoe een toerist het Lake District beleeft, en wat Rebanks ervan toont. Dat zit er een beetje in, maar echte wroeging van Rebanks heb ik daar niet bij gevoeld. Wat eerder bijblijft is dat je dieper gaat begrijpen wat de invloed van land- en tuinbouw (en mens) op het landschap is (een vraag die mij als semi-vegetariër extra intrigeert en waar in veel wetenschappelijk onderzoek nog geen afdoend antwoord op gevonden is). Je leert iets over de kweek van schapen, hoe je kudden runt en hoe de honden daar precies bij kunnen helpen. Je gaat mee naar wedstrijden en foktoernooien. En na 100 bladzijden stel je tot je grote verbazing vast dat je dat nog graag leest ook. Dat schapen een zeer goed onderwerp voor een boek blijken 🙂 Een pageturner is veel gezegd, maar je volgt toch met enige spanning de zompige wintertochten van Rebanks, die zijn schapen op het zicht herkent en liefde voor de kweek (en slacht) bijna poëtisch met de liefde voor het mooie, levende beest zelf tussen de stapelmuurtjes weet te combineren. Je begrijpt de rol van wedstrijden en voelt de spanning die er heerst. Je zou al snel willen dat je de mijlpalen in de groei van je kinderen ook kon aflezen aan de eerste keer dat ze alleen een schaapje mee ter wereld helpen brengen.

Dat Rebanks zijn eigen twijfels niet uit de weg gaat, helpt natuurlijk ook. De ietwat oudere mens in mij vindt het mooi hoe hij eerst keihard van de schapenkweek is weggelopen, om er vervolgens keihard naar terug te keren. Extraatje: je leert ook Beatrix Potter helemaal anders kennen (mocht het blijven regenen, kijk dan zeker ook eens naar de film Miss Potter, die er ondanks wat mankementjes heel mooi in geslaagd is te tonen wie de mens Beatrix is, en wat ze voor het Lake District betekend heeft). Kortom: naar bib of boekhandel gaan, en snel tot de vaststelling komen dat je een boek over schapen gelezen hebt en dat nog leuk vond ook.

2. Morten STROKSNES, Haaienkoorts (Oorspronkelijk: ach, dat zullen we maar laten vallen zeker? 😉 Iets met ongewone letters 🙂 )

Mocht je je al afvragen of je het leuk zou kunnen vinden om non-fictie over schapen te lezen, dan kan je je minstens zo hard afvragen hoe je het in godsnaam leuk zou kunnen vinden om een boek te lezen over twee mannen die in ijskoude Noorse wateren in een bootje wachten tot een loodzware Groenlandse haai met wormen in zijn ogen uit liefde voor stank gaat bijten in de verrotte kaak van een Schotse Hooglander die 300 meter onder water aan hun vislijn bengelt. Edoch. Het boek is magnifique. Nog maar zelden heb ik zo meeslepend het leven in zee weten beschrijven. Stroksnes wisselt moeiteloos af tussen wetenschap en mythologie en beschrijft het onderwaterleven in de Lofoten met een vaart, charme en humoristische woordenschat zoals ik nog niemand heb weten doen (lees: de eigenwijzetuinstijl, maar dan onder water). Dat er ondertussen een avontuur van twee vrienden in een boot bij zit, helpt natuurlijk, maar je hebt al snel door dat dat allerminst de essentie is. Na nog maar een paar bladzijden zit de zilte geur van visdrogerijen en het vet van traanstokerijen in je neus, en wil je maar één ding: nog meer horen over die makrelen, over plankton ‘met de vorm van een wijnglas bekleed met luipaardenvel’, over de wereld van kustbewoners en hoe die verandert. En, natuurlijk, ook: over die Groenlandse haai. De open geest van Stroksnes, zijn enorme leesbagage, en zijn vriendschap met een visser-kunstenaar maken dat je de zee voor eeuwig anders bekijkt (en nog wat extra op je ecologische voetafdruk gaat letten).

3. Peter WOHLLEBEN, Het verborgen leven van bomen (Oorspr: Das Geheime Leben der Bäume)

Wohlleben was zelf ooit houtvester, zoals dat heet. Opgegroeid in een traditie ook die gelooft dat je een bos in zekere mate moet sturen. Ondergroei best kappen, bijvoorbeeld, zodat ze de energie van andere bomen niet afnemen. Soms eens vernieuwen ook. Vanzelfsprekend is de opleiding tot boswachter geëvolueerd en heeft het respecteren van spontaan leven en verrotting ook z’n plaats gekregen in het geheel. Alleen gaat Wohlleben daar nog veel dieper op in, brengt hij al die kennis samen, en slaagt hij erin om toch wetenschappelijk te blijven als hij bomen gevoelens, reuk of hulpvermogen toekent.

Als je al van de verbazing bekomen bent dat je schapen en haaien interessante boeken-onderwerpen vindt, die lezen als een trein, dan zal je je na deze flink verbazen dat je bomen ooit als statisch hout hebt bekeken en er zo roekeloos over nadacht. De vergelijking met schapen en de visvangst is trouwens zo gek nog niet, want Wohlleben toont duidelijk hoeveel eigenschappen bomen gemeen hebben met levende wezens. Hun wortels hebben hersen-achtige structuren waarmee planten elkaar onder de grond kunnen (en zullen) helpen, onze manier van omgaan met bomen is vaak niet minder ingrijpend dan de industrialisering van visvangst, en een bos is als een kudde, waarvan het kuddeleven voornamelijk onder de grond plaats heeft. Dat dit alles dan ook nog eens minstens zo meeslepend is geschreven als de vorige twee, maakt dat ook deze unieke non-fictie is, en  -weeral- vol sympathiek eco-rumoer.

Eén van deze boeken gelezen? Kom mij dan zeker maar vertellen wat je ervan vond!

Bij een eerste ontmoeting vragen mensen graag van waar je bent. Daarbij mag dan een onderscheid worden gemaakt tussen waar je bent geboren, en waar je tegenwoordig woont. Dat ik uit West-Vlaanderen kom, leidt afwisselend tot positief gefilosofeer over de ondernemingsdrift van West-Vlamingen enerzijds, of tussen beleefd geduld maar doorgaans belachelijk uitgevoerd imitatie-West-Vlaams van niet-West-Vlamingen (elk zijn afwijking, nietwaar 😉 ) . Dat ik uiteindelijk in een gehucht in de Vlaamse Ardennen ben beland, leidt altijd, steevast en zonder uitzondering tot de vraag: ‘Hoe ben je dáár beland?’.  Aangezien ik wekelijks jobsgewijs meerdere nieuwe mensen ontmoet, valt de vraag mij ook wekelijks voor de voeten, en leid ik ook wekelijks af dat de Vlaamse Ardennen een oord is waar men blijkbaar niet geboren kan zijn, en – indien toch – dan blijkbaar snel terug uit weg wil gaan. Edoch: meerdere West-Vlamingen in mijn gehucht, meer nog: in mijn straat, én collega-bloggers als Eigenwijze Tuin en (de helft van) Buikberg bewijzen dat de Vlaamse Ardennen een oord is waar West-Vlamingen ook bewust voor kunnen kiezen en wel degelijk in gedijen.

Wat mijn redenen zijn om hier te belanden, is eigenlijk van weinig belang (de liefde, uiteraard, voor de man in de eerste plaats, voor weidse landschappen in de tweede plaats). Eerder en veel meer opvallend is de verschuiving in associatie van de mensen die mij de vraag stellen. Tot twee of zelfs één jaar geleden zag ik mijn antwoord ‘in de Vlaamse Ardennen’ doorgaans geassocieerd worden met een lichte paniek die zich van veel burgerlijken eigen maakt wanneer zij met ‘natuurliefhebbers’ geassocieerd worden. Als ik in een dergelijk gehucht kom wonen, kan het niet anders of ik hou van de natuur. Meer nog: ik ben ‘een groene’ (al dan niet met hoofdletter en uitroepteken erbij). Hoogstwaarschijnlijk heb ik dan een moestuin. Ik kan wellicht zelfs naaien. Mijn kinderen worden verdacht naar Freinet te gaan (Zoals Van Veen het altijd zo mooi zegt: ‘in mijn tijd was dat een school voor eigenaardige kinderen’ 😉 ) en negen kansen op tien dat ik in mijn vrije tijd iets doe met keramiek of bach-bloesems. Ruik ik trouwens niet naar patchouli? Iets in de stijl van die mannen bij Natuurpunt, toch?

Sinds twee of minder jaren, verschuift de blik van mensen die me vragen waar ik woon. Mijn boerse gehucht blijkt plots met ‘De zwalmstreek’ te worden geassocieerd. De boerse weiden rondom mijn huis heten plots ‘landerijen’ en de bouwvallige schuren worden verdacht ‘stallingen’ te zijn. Elke wens om ‘op de boerenbuiten’ te wonen, blijkt in velerlei ogen een verborgen wens om van een boerderij (pardon: hoeve) een villa te maken en de graslanden om te vormen tot paardenwei. Een mens op de boerenbuiten is een burger met geld geworden die alle onderzoek naar leefbaarheid negeert in een onnadenkend streven zijn rijkdom met landgoed te etaleren. Mijn groene gedachten zijn verdachte gedachten van Sint-Martens-Latem-gerelateerde golfbeoefenaars geworden.

Ik overdrijf, natuurlijk, omdat bloggen daarvoor gemaakt is. Maar overdrijven gebeurt altijd op een vlotje van waarheid. Nog maar enkele weken geleden, tuffend naar het werk (ik beken: met de wagen) hoorde ik een nieuwslezer vertellen dat er steeds meer bouwgronden ‘op slecht gelegen plaatsen’ beschikbaar zijn. Terwijl ik in gedachten aan overstromingsgebieden of vervuilde fabrieksgronden dacht, vertelde de nieuwslezer waar die slechte gronden dan wel waren: op het platteland.

Tuffend naar mijn jobje besefte ik wat ik natuurlijk al heel lang weet: dat kiezen voor groen heel vaak met ongroene levensgewoontes gepaard gaat. Twee auto’s, om maar iets te zeggen. Heel veel heen- en weergerij ook. Onnodige afstanden, enz. Mijn groene keuzes zijn plots aan anderen te verantwoorden ongroene keuzes. En het voelt bijzonder vreemd dat enkele politieke beslissingen, gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek over leefbaarheid waar ik behoorlijk achter sta, mij plots zo anders door het raam doen kijken wanneer ik met een kop koffie in de handen van door het raam de schaapjes in mijn tuin overschouw.

En telkens weer, wanneer ik mijn natuur-onvriendelijkheid besef, ondanks alle inspanningen die we leveren om die te beperken (diepvries, weekmenu’s, georganiseerde schema’s voor minimaal vervoer, enz.) dan denk ik telkens: maar weegt dit op, dit gestigmatiseer van plattelandsbewoners, tegen de deugd van rust die het platteland ons brengt? Of eenduidiger: hoeveel burn-outs zouden er niet zijn, als al die groen-lasterlijken naar de stad werden gebracht? En wat zou daarvan dan de kost op de samenleving zijn? En hoe dankbaar moet ik zijn, dat ik hier kan wonen? Moet ik mij schuldig voelen, of dankbaar zijn?

Zo drinkt mevrouw onderdeappelboom haar koffie. Misschien zou thee milieuvriendelijker zijn. En zijn die Vlaamse Ardennen nu heus het rijke Zuiden tov de arme noorderlingen in een stad?

Mevrouw onderdeappelboom heeft nog geen antwoord. Verwarrend, dat is het wel. Zouden bachbloesems soelaas bieden? Of toch maar verkavelen in een vlot bereikbare randgemeente en tijdens het weekend een uitstap maken naar de natuur?

 

Wie vandaag geen kinderen naar hobby’s moest brengen, afspraken had of feestjes in de agenda had staan, was in de tuin te vinden. Wegens drie hobby-afspraken, een verjaardagsfeestje (elders), een opendeurdag, een geplande fietstocht de zaterdagboodschappen en de algehele planning zou ik alleen maar even wandelen door de tuin. En heel misschien de oude bladeren van de helleborus afknippen. Misschien kon ik dan toch de opendeurdag overslaan, want er waren heel wat opkomende knolletjes waar ik het oude blad misschien van weg kon halen. En mos. Zoveel mos. Ook dat zou dan weg kunnen. En als de echtgenoot nu eens de boodschappen deed?

Zeven uur later was de helft van het binnentuintje lenteklaar, was het kweekschuurtje helemaal schoongemaakt en alle oude aarde weggeveegd. De terraspotten waren leeggemaakt en met de zonen schoon gewassen. We gingen naar drie hobby’s, kochten cadeaus voor verjaardagsfeestjes, en schrobden toen tuintafels en vensters van kweekkotjes. Na een koffie met vier mama’s, een muziekles, het opmaken van ons weekmenu, het opbergen van de boodschappen en het opruimen van de keuken, was het 17u45 maar leek het gek om niet ook nog even het gras af te rijden terwijl man en zonen de bladeren samen harkten die sinds oktober waren blijven liggen waar ze vielen. Terwijl ik de sputterende motor langs molshopen en over de nu vele kilometers gangen van woelratten laveerde, zag ik hen langzaamaan in een exact gelijklopend ritme komen, hun ruggen in evenwijdige lijnen, hun harken groot en klein dezelfde bewegingen makend, hun hopen van groot naar klein, in lijn met hun gestalte. De grootste harkte steeds meer bladeren samen, de jongste verloor langzaamaan zijn blik in de rooswitte vliegtuigstroken boven de ondergaande zon, en de middelste was stilaan zo moe dat hij rondjes begon te draaien in zijn bladerenhoop.

Ik dacht terug aan de drie volle kruiwagens winterafval van vandaag. Hoe je bij het lentewieden altijd weer de zomer van het jaar daarvoor naar buiten plukt. Playmobielmannetjes onder de samengeklitte bloemblaadjes van afgevallen rozen. Toen een dorp gecreëerd werd in de binnentuin. Tennisballetjes onder de verwelkte stelen van de dahlia’s, waar poes ’s zomers haar luie potenspelletjes houdt. Een tupperwarepotje, een bolletje touw, het blaastuitje van een bellenblaas. Een koffielepeltje. Een stapel wasspelden en schelpen. Signalen van een gebrek aan opruimlust natuurlijk; van te weinig gecoördineerde opvoeding richting nette tuinen ook. Maar bovenal signalen van zomers van vorig jaar. Signalen, van de werelden die kinderen optrekken in tuinen, bij regen en zon, omdat hun hoofden anders denken dan de onze.

Ondertussen krijgen de nieuwe verhalen al vorm. Het geraamte van de serre is behangen met takken van de kerstboom, boven de ligzetels prijken bamboestokken, oude planken worden beschilderd en papier en kleurpotloden getuigen van talrijke plannen. Alleen onder de dwingende belofte dat we onze moestuin verdubbelen en elk kind zijn eigen bak en stuk van de serre krijgt, krijg ik ons buizengestel wellicht terug om er weer een serre van te maken. En ondertussen waren we toch al elke avond van deze week buiten zon en lente op te slorpen.

Een collega zei ooit: ‘Pas als de daslook bloeit, is het écht lente.’

‘Arme jij’, dacht ik. ‘Tegen dat de daslook onder onze bomen straks bloeit, is het in mijn hoofd al zomer :-)’

 

 

 

 

Ooit, lang maar niet zo heel erg lang, in een land zoals het onze en een dorp niet zo heel erg ver hier vandaan, begon een man een blog lang voor de wereld wist wat bloggen was. Hij kreeg géén reacties, nauwelijks lezers, maar vocht zich dapper een weg naar de top. Aangezien hij al een lieftallig Doornroosje aan zijn zijde heeft, moest hij daar niet meer naar zoeken. In plaats daarvan vertelde hij hoe je in plaats van woeste rozenstruiken rond het kasteel ook maaiveldjes kunt aanleggen. Hoe minder tuinieren soms méér tuinieren is. Dat kleine moestuintjes ook moestuinen zijn en je met een beetje verstandig uitkijken allerlei dingen zelf kunt maken.

Langzaamaan kwamen de reacties. De tekstjes werden langer, de stijl eigenwijzer, de foto’s altijd even goed. We vergaapten ons massaal aan detailbeelden van parende juffers en spinnen met heel veel oogjes. We verdwaalden mee in het prachtige hooiland, klommen in de boomhut, leerden vanalles over kindvriendelijke tuinen en werden meermaals op een verkeerd been gezet met gekke titels. Gek en grappig waren trouwens codewoorden, naast mooi, grondig, goed geschreven en inhoudelijk correct. Nooit gedacht dat ik met zoveel interesse iets over de levenswijze van kleine diertjes zou lezen als bij de Eigenwijze tuin.

De voorbije jaren was de Eigenwijze tuin de aanzet voor heel veel bloggers om aan het bloggen te beginnen, en af en toe iets na te bootsen. De Eigenwijze tuinier bracht ons, beginnende bloggertjes, ook samen, waarop enkele fijne blogontmoetingen volgden. Ondergetekende genoot de bijzonder grote eer zelfs een bezoekje aan de Eigenwijze tuin te mogen brengen. Toen daar onderbroeken achterbleven (moehaha 🙂 ), was de toon gezet voor een reeks vervolgbezoekjes in afwisselende orde hier en daar. En beste Bart, het is niet omdat mijn kinderen nu soms met de te kleine kleren van jouw kindertjes rondlopen, omdat we elk een zoon met dezelfde naam hebben, of omdat jij en mijn echtgenoot je ondertussen zelfs niet meer netjes scheren als je elkaar ontmoet (;-) ), dat ik het jammer vind dat je blog stopt. Ik hoop namelijk dat ik je blijf zien. In ’t echt en al. En ook wil ik nog altijd graag je uitgever zijn mocht de huidige route spaak lopen (zo, is dat geheim ook verklapt 🙂 ). Maar op dit ogenblik is het echt gewoon héél jammer (maar heel begrijpelijk, maar toch ontzettend jammer) dat je stopt met bloggen. Een beetje eerbetoon leek me op z’n plaats.

 

Terwijl de vorige job nog rijk gezegend was met verlof, kan ik mij nu eigenlijk geen verlofdagen meer permitteren en moeten de spaarzame vrije uren thuis dus van des ochtends tot des avonds in detail gestructureerd en uitgedokterd worden. Meestal, als ik op valavonden tussen kinderdienst en laptopeisen nog even door de tuin kuier, scan ik het onkruid, de uitgebloeide bloemen, de te planten planten en al het andere meer en minder werk dat moet worden gedaan. Ik knip de taakjes uiteen in uren en minuten, beoordeel waar ik grondig te werk moet gaan, en waar een half werk ook volstaat. Ik overloop in gedachten gereedschap en zaad, monster de lengte van het gazon, en weeg bloemen en moestuin tegen elkaar af. En altijd, na dit ommetje, eindig ik met een Plan. Een Perfect Plan. Waarmee alles wat ik gedaan wil hebben precies zal passen in de uren die ik vrij heb.

Enkele dagen geleden had ik opnieuw enkele vrije uren. Bepakt en bezakt met mijn Plan trok ik monter de tuin in. Feilloos zou ik zijn. Rechtstreeks op mijn Doel af! Het Plan: alle grassen wieden uit het wilde-bloemen-zaaiperkje. Te beginnen vanaf 8u30 ’s ochtends, als ik terug thuis ben na het heen-en-weer-rijden met kinderen naar school. Laat mij u even meenemen in de effectieve chronologie van de dag.

1. Ik breng de kinderen stipt op tijd naar school. Yes.

2. Ik blijf te lang op school (Aangezien ik nu niet naar mijn werk moet, kan ik de kinderen toch beter verwennen door wat langer op de speelplaats te blijven, niet?) en begin daardoor later dan gepland.

3. Het stuk waar ik zou moeten beginnen ligt in de schaduw en het is nog erg vroeg en dauwig en rillerig. Ik verkies het stuk in de zon waar eigenlijk niet zoveel gewied moet worden, maar goed, het is maar voor heel even.

4.  In dit stuk in de zon staan netels, en die komen van onder een omheining, waarachter een koertje is dat ook al vol onkruid staat. Wat goed dat ik daar kom, dan kan ik dat koertje ook eens proper maken, want dat vergeet ik altijd en staat nooit op een Plan!

5. Voor die netels verkies ik na 7 stuks dan toch mijn tuinhandschoenen aan te doen. Ommetoertje naar binnen.

6. Nu ik toch handschoenen aan heb, ga ik eerst even die vervelende roos met die kleine venijnige doorntjes snoeien. Rozen snoeien, ik doe dat graag. Ik denk terug aan Paolaklusjes en de tijd dat ik een roos kreeg en de geboorte die daarbij hoorde. Ik denk allemaal mooie en interessante dingen, van dromen en plannen, en vroeger en nu, en de rozen worden in zen-tempo gesnoeid…

7. Ha, er is zon op het stuk waar ik initieel wou beginnen. Dan maar daar onkruid gaan wieden.

8. De meidoorn hangt in de weg en prikt voortdurend in mijn rug. Enkele takken meidoorn snoeien dus.

9. Ik vind mijn snoeischaar niet.

10. Na enkele minuten nadenken herinner ik me dat ik rozen heb gesnoeid en vind de snoeischaar daar terug.

11. Nu ik de meidoorn onderaan snoei, zie ik heel veel hagewinde. De onstuimige snoeren volgend kom ik in de moestuin terecht.

12. Wat is dat nu in de moestuin? Mijn erwtenrek van vorig jaar is op de kolen gewaaid! Dus ik doe het rek weg en zet het gaas rond de kolen weer vast.

13. O, en de erwten staan in bloei! En zie ik daar wortelscheutjes? Dan doe ik beter eerst die distels weg die ook terug opkomen. En de radijzen uitdunnen, voor het te laat is! Zou ik de aardappelen al aanaarden? Of nee, eerst nog radijzenzaad zoeken en bijzaaien.

14. Ik kom bij zinnen, stop en wil verder doen met de meidoorn.

15. Ik vind mijn snoeischaar niet.

16. Ik vind ze terug bij de wilde bloemen en ga daar dan toch verder met onkruid wieden.

17. Ik verlies géén tijd met kruiwagens leeg maken. Zoals u weet: er kan altijd nog een beetje bij.

18. Het is bijna middag. Mijn handen zijn vuil omdat ik mijn handschoenen ergens achtergelaten heb. (maar waar?) Dat wordt dus vroeger stoppen om nagels te schrobben.

19. Nu is het echt middag; ik heb maar 1 ipv 3 vierkante meter van het beoogde perceel kunnen wieden. Maar de kinderen moeten worden opgehaald, het is woensdag. En nu ik een keer thuis ben, kan ik ze toch niet in de opvang laten wachten? Dus toch maar wat vroeger vertrekken dan voorzien…

20. Die avond breng ik dan toch de kruiwagen weg. Net voor ik de composthoop bereik, kan ik de extreem linkse neiging van het gevaarte onkruid niet meer bedwingen en valt alles wat boven de rand uittorende zonder pardon op de grond. Op het restant onkruid met rozenblaadjes dat nog in de kruiwagen ligt, prijken twee damestuinhandschoenen… Nu alleen die snoeischaar nog.

 

 

Toen ons vorig jaar in Denemarken de impact van de aanstaande job begon te dagen, plaatsen we resoluut een omheining halverwege de tuin. We kochten twee poezelige schaapjes. Mevrouw onderdeappelboom kwam met wat kippen thuis. Meneer onderdeappelboom voorzag ons van extra gans en eenden. Een kat kwam ook al vanzelf aanlopen. En uiteindelijk besloot ook een wilde eend dat heel die dierenbende best aantrekkelijk is, liet haar wilde nomadenjaren achter zich, en vestigde zich voor een burgerlijk bestaan tussen het gele lis en de kikkerdril aan de zijde van één van onze eenden (of alle vijf, wie weet). Ha, die kikkers zijn er dus inderdaad ook. En salamander. Gisteren voor het eerst ook weer de eekhoorn (althans voor het eerst terug gezien), schranzend in onze schuur. En aldus hebben de madame die omzeggens niets met dieren heeft, en de meneer die nooit een tuin moest hebben uiteindelijk een tuin vol dieren die hen belachelijk veel plezier doen.

Het is een wat aparte bende, wat de geoefende lezer hier alleen maar logisch lijkt, gezien beesten altijd op hun baasje lijken. Maar qua verdraagzaamheid zit het goed: schapen, eenden en ganzen eten min of meer gemoedelijk naast elkaar. Alleen in paar- en broedtijd wordt links en recht in de benen gehapt, maar ook dat is van korte tijd. Gedurende enige tijd pikten de schapen en ganzen alle maïs van de kippen, maar dat loste meneer onderdeappelboom op door een soortement ‘park/box’ te bouwen rechts boven op de foto: het eten staat op een pallet en daarrond staan spijltjes waar de kippen tussen kunnen, maar de andere dieren niet.

WP_20160410_09_24_33_Pro

De eenden zijn wat meer van het reizende type. Hoewel ze een vijfsterrenarrangement met vijver, gras, en kroos tot hun beschikking hebben, verkiezen ze meestal de vlucht naar het mensendom en komen ons ’s ochtends aan de ontbijttafel dag zeggen.

WP_20160415_07_39_16_Pro

Eén keer meenden de dames zelfs dat het tijd was voor een theekransje op het terras, maar het zicht van mevrouw onderdeappelboom die van achter de hoek plots ‘boe’ riep, bracht hen snel op andere gedachten… Sindsdien blijven ze braaf in tuin en moestuin. Ik kon ze tot nog toe niet betrappen op schade aan de bloemen, waardoor ik me begin af te vragen of ze net als Indische loopeendjes misschien alleen mini-beestjes eten? En wij maar denken dat we grasmachientjes hadden gekocht…

WP_20160405_07_58_17_Pro

Het is nog niet gedaan met de samenhorigheid. In tijden van broedsheid worden collectieve werkovereenkomsten gesloten. Onderstaande kreeg ik niet samen op een foto, maar zitten nu toch al ruim twee weken onversaagd zij aan zij:

WP_20160410_13_21_41_ProWP_20160410_09_24_58_Pro

Met zij aan zij bedoel ik inderdaad: alle drie. Twee kippen. Eén eend. En zoals de jongste zoon terecht uitriep: er liggen kippeneieren onder die eend! Ik moet daar dus eens ingrijpen, maar tot nog toe vond ik de moed niet (dat pikken van broedende kippen…)

Over broedsheid gesproken:

WP_20160410_09_24_18_Pro

De nieuwe gans bleek op een dag te zitten broeden. Wij hadden (o slechte boeren) niet gezien dat ze een nest bijeen geschraapt had, noch dat ze eieren had gelegd. Maar toen zat ze er, en ging niet weg. Uit angst voor vossen, marters en eksters (hoewel ganzenjongen wellicht toch te zwaar voor hen zijn) hebben we rond de gans een omheining gemaakt, en erboven een net gespannen (dat net zit strak, overigens, die loshangende einden zijn nog eens afzonderlijk vastgemaakt zodat de schapen er niet zouden in struikelen).

32 dagen had ze nodig. En toen zat ze plots naast haar nest. En staken er kleine pootjes onder haar vleugels uit. En nog eens 2 dagen later, met name vandaag, werden we beloond met een eerste familie-uitstap.

WP_20160420_18_05_41_Pro

Zo bent u weer helemaal up te date en weet u weer alles wat u ongetwijfeld al heel lang wou weten 😉

En de bloemen? Die zijn niet vergeten, en wel integendeel. Maar eerst nog het gevecht tegen onkruid…

 

Bloggen, het komt er maar niet van. Honderden foto’s op het toestel, massa’s plezier in de tuin, maar nul-komma-nul tijd op overschot om nog te bloggen. Eilaas.

Dat wil niet zeggen dat er geen plantjes gekocht kunnen worden. Van de soortement-collega waarmee ik eerder al plantjes ruilde, vernam ik vorig jaar al dat er vlak in mijn buurt een plantenbeurs is waar ik al die jaren niets van af wist. En het blijkt nog wel een leuke: met bijzondere soorten, en ruilmogelijkheden! Lees maar!

Dit jaar blijkt de beurs plaats te hebben op paasmaandag, zowaar (wat uiteraard de titel verklaart 🙂 ). Ik dacht zo: zijn er nog bloggers die de grote oversteek naar deze beurs wagen? Het is niet omdat ik niet meer blog dat ik het niet leuk vind nog eens (opnieuw) kennis te maken…