Feeds:
Berichten
Reacties

Posts Tagged ‘ecologie’

Een tijdje terug had ik het over ecologische siergrassen. Naast schaduwtuinen en kruidentuintjes zijn ze namelijk een mooie aanvulling op de klassieke siertuin: dat parelende gezwiep in de wind, die herfstkleuren, de structuur die ze aan de tuin geven, enz.  Maar zou het mogelijk zijn om siergrassen te vinden die ecologisch en inheems zijn? En kom je met siergrassen niet automatisch in de deugdelijke perkjes van de betere villa terecht, of zou het ook integreerbaar in het landschap kunnen zijn?

Ik zocht en vond… niet zo veel. Inheemse grassen zijn veelal kleinere grassen, passend in weides en graskanten, maar niet zozeer bruikbaar als sierstruik. Andere inheemse grassen hadden dan weer een te grote veroveringsdrang, of pasten qua grondtype niet op de plaats waar ik ze wou zetten. Een hele dobber dus waar ik niet 1-2-3 aan uit was.

Om de leegte aan inheemse siergrassen op te vullen, besloten we al snel om grassen met gras-achtige bloemen te combineren. Gaura bijvoorbeeld, dat de indruk van bloeiend gras wekt. Of eupatorium, dat in zijn grootsheid best wel hetzelfde structureel effect als dat lelijke pampasgras zou kunnen teweegbrengen.

Halverwege mijn denkproces viel het tijdschrift van VELT in de bus, met daarin een bericht over prairietuinen. Ik was er bijzonder opgetogen over, want die prairietuin leek precies te doen wat ik ook voor ogen had: bloemen en grassen combineren. En waar ik ook blij mee was: dat VELT het strikt inheemse pad durfde te verlaten ten voordele van een weliswaar deels uitheemse, maar toch mogelijks waardevolle aanvulling voor de siertuin.

Toch moet gezegd dat zelfs ik, pseudo-ecotuinier, een beetje vragen had bij die prairietuin. Ze staat immers wel heel vol met voornamelijk Noord-Amerikaanse planten. En om de grond schraal en de prairietuin onderhoudsarm te houden, werd gesuggereerd de plaatsen tussen de planten op te vullen met kiezeltjes, lavasteentjes, enz. Toch allemaal niet zo eco-vriendelijk, dacht ik, en ik voorspelde in gedachten al een kwade lezersbrief.

Jawel, in het daaropvolgende boekje van Seizoenen moest de VELT-redactie er al aan geloven. Dat dat toch niet kon, zo’n uitheemse bloemen promoten. (Terwijl VELT er wel mooi de voor en tegens had bijgezet, zich bewust van de ongewoonheid van hun suggestie). En dat bovenal de suggestie om de planten eens af te branden om de schraalte van de grond te behouden, alle boekjes te buiten ging. Een vuurtje stoken is immers ongezond.

Nu, over de zin (soms) en onzin (meestal) van het vuurtje-stook-verbod heb ik me elders al eens uitgelaten. En dat ik niets tegen een uitheems bloemetje heb, heb ik ook al meerdere keren gezegd. Maar dat ik VELT wil verdedigen, dat is nieuw. Bij deze dus:  die prairietuinen zijn zeker verdedigbaar.

Nochtans heeft ook Natuurpunt zich er al tegen gekeerd. In een rapportje van vorige zomer waarschuwen ze voor het invasieve karakter van de veelal uitheemse grassen van de prairietuin. Want: ‘het risico op uitbreiding buiten het perceel is te groot’.  Maar wat is er buiten zo’n perceel? In de meeste gevallen toch gewoon gazon, dat afgemaaid wordt. Of steentjes van een terras of paadje. Natuurlijk kan de wind de zaden ook wel verder doorvoeren, maar ik ben tot nu toe niet op de hoogte van een probleem met zich spontaan overal uitzaaiend noord-amerikaans gras?

Natuurpunt heeft ook een probleem met de relatie tussen prairietuinen en biodiversiteit. Een prairietuin is NIET de ideale vlinderplaats, stellen ze, en ze staven dit onmiddellijk door 2 vlinders op te noemen die een specifieke plant nodig hebben voor hun voortbestaan die NIET in de prairietuin staan. Ach ja, dan zet je die specifieke planten toch elders? En waar zit de logica van de redenering? Een eekhoorn kan ook niet overleven in een bloemenweide zonder bomen. Is die bloemenweide daarom slecht voor de biodiversiteit?

En laten we ons ook eens afvragen waar die grassen meestal geplant worden? Niet op de plaats van de siertuin of moestuin. Voor veel mensen is het een oplossing voor een proper voortuintje. Ze zetten siergrassen, hortensia en pachysandra vooraan, en hun tuintje is klaar. Hun alternatief is een oprit in klinkers, want het moet proper zijn en onderhoudsarm. Dan is zo’n noord-amerikaans gras toch nog waardevoller dan klinkers? En de mensen die echte grote vlaktes aanleggen tot prairietuin, daarvan mogen we misschien wel veronderstellen dat het mensen zijn met veel grond, die wellicht ook andere types siertuin op hun domein hebben. En is een hectare prairietuin zoveel slechter dan een weide?

Waarmee ik maar wil zeggen: al die rapportjes en kritiek zijn serieus vermoeiend. Als je het aan mij vraagt, zouden ze in de eerste plaats moeten beginnen met de mensen te motiveren meer bloemetjes en grasjes te planten, door zaden en plantjes uit te delen. Dat kan niet duurder zijn dan de bus gratis maken. En pas als mensen plezier beginnen hebben in tuinieren, kan je het over ecologie beginnen hebben. Maar ontneem ze dat plezier toch niet altijd direct.

Over plezier gesproken: ik heb dus een grassenbordertje aangelegd rond het bessenlabyrinth. ’t Ziet er momenteel nog een beetje zielig uit.

Op dit moment staan er 35 plantjes in, maar mijn oorspronkelijk voorzien stuk was misberekend, waardoor ik halverwege nog een hoop gras mocht wegspitten, daar toch wel behoorlijk op gevloekt heb, en uiteindelijk dus ook plantjes te weinig heb voor het hele stuk. Maar kom, ik denk dat het wel in orde komt (je gelooft me niet, maar tegen deze zomer zal ik het met nieuwe foto’s bewijzen). En wat staat er nu precies in:

In de rubriek grassen hebben we:

– smele (inheems)

– struisriet (inheems)

– geitenbaard (inheems)

– vedergras (Alpen,middellandse zee)

– miscanthus/prachtriet (zo uitheems als de pest, maar schijnt niet te woekeren)

– vingergras (inheems/Europees)

– pijpenstrootje (inheems – staat midden in ons drainageprobleem, dus met natte voeten, waar het van houdt)

In de rubriek bloemen tussen de grassen:

– eupatorium (inheems)

– gaura (uitheems, houdt van warmte en zon)

– echinacea (inheems)

– crocosmia/montbretia (knolgewas; in wezen uitheems, maar dan even uitheems als tulpen)

– thalictrum (Zuid-west-europa)

– verbena (inheems)

– artemisia (kruidachtige met inheemse varianten)

Zal het lukken of niet? Geen idee. Maar het is wel een redelijk inheems strookje geworden, met een variatie aan kleur en bloeitijd, en hopelijk zal het ook het wuivende effect teweegbrengen dat we voor ogen hebben. Zoals ik al zei: deze halve cirkel grassen is rond ons bessenstuk beland. Vanuit het huis zien we de bessen nu nog nauwelijks staan. Alleen de puntjes van de pas geplante grasjes piepen boven de helling uit. (op de foto hieronder zichtbaar toen de plantjes nog niet in de grond zaten, maar wel al op de juiste plaats stonden).

Read Full Post »

Interessante Eos deze maand. Over ecologie. En over de vraag of ecologie wel de waarheid in pacht heeft. Niet helemaal, zo blijkt, want meerdere onderzoekers ‘vinden het zeer bediscussieerbaar’ of het in stand proberen houden van een zogenaamd natuurlijk evenwicht uit het begin van de 19de eeuw wel zinvol is.  En andere wetenschappers ‘stellen zich de vraag’ wat het nut is van het wanhopig in leven proberen houden van bepaalde diersoorten als hun biotoop aan het verdwijnen is (waarom de ijsbeer willen redden als er straks toch geen ijs meer is.)

Het zijn soortgelijke vragen die ik mij hier in het prille blogbegin al eens stelde. Basisgedachte van zowel die wetenschapper als ikzelf toen is dat je je zeer de vraag kunt stellen of er wel zo’n evenwicht bestaat dat het ecologisch tuinieren dan zou herstellen of opnieuw creëren. Is natuur niet altijd in evolutie, zoals Darwin al probeerde te tonen, en zoals sommige eco-liefhebbers misschien in hun liefde voor de goede zaak wel eens uit het oog verliezen? Heracleitos wist het nochtans 2500 jaar geleden al: panta rhei; alles stroomt. En niets is blijvend. Ooit hadden we in Vlaanderen een rijkere biodiversiteit met meer kleine landschapselementen en biotopen. Maar ooit was Groenland ook tropisch regenwoud, dus so what?

We moeten echter ook niet in het andere extreem vallen: het is niet omdat er terechte vragen kunnen worden gesteld bij die eeuwig herhaalde uitdrukking ‘natuurlijk evenwicht’, dat we niet aan de natuur moeten meehelpen. De snelheid waarmee de natuur de laatste 30 jaar evolueert ligt opvallend hoger dan het tempo van de voorbije honderden of zelfs duizenden jaren. En of dat nu te wijten is aan een uitdovende zon, of veranderende oceaanstromen , of aan die vervuilende auto onder ons achterwerk: het gaat snel, bijzonder snel, en laat ons de effecten toch maar een beetje proberen te temperen.

Vandaar mijn eeuwige visie hier: laat ons  half-ecologisch zijn en streven naar een rijkere natuur zonder in extremen te vervallen. Bovendien is ecologie ook zoveel meer dan alleen de plantjes in je tuin. Het betekent eveneens dat je niet chemisch sproeit en verdelgt (en misschien toch liever onbespoten uitheemse bloemen dan bespoten inheemse soorten). Dat je nadenkt over de kilometers die je aflegt en het afval dat je produceert. En het betekent bovenal: een visie doorgeven aan de mensen met wie je in contact komt, met als belangrijkste mensen vanzelfsprekend je eigen kinderen.

Ik schreef ook al eens (mens, ik klets blijkbaar nogal wat af op deze blog) over kinderen en het buitenleven. Het werd een zonovergoten stukje van bucolische vreugde waar ik nog steeds achter sta. Maar het was eveneens naïef en kortzichtig, want tegenwoordig brengen de kinderen meer wakkere uren buiten ons huis door dan erbinnen: ze gaan naar school. En dat brengt geheel andere vragen met zich mee. Toen ik deze morgen een piraat en een indiaan naar school bracht, werd ik voor het eerst geconfronteerd met keuzes die ík maak, uit ecologische overwegingen, maar die nu al de kinderen bepalen. Zwaarmoedig genoeg? 😉

Ter verklaring: hier in de regio wordt carnaval deze week al gevierd, en dus mochten de peuters in carnavalskostuum naar school. Zonder er erg bij stil te staan, was ik (net als Mme Zsazsa laatst) in winkels op zoek gegaan naar een streepjestruitje om van het zoontje een piraat te maken, en wat pluimpjes om van dochterlief een indiaantje te kunnen maken. Hoewel de zoon zijn piratenhoed niet wou opzetten (eigenlijk een gewone hoed met een flinke deuk erin, en zonder doodshoofd erop want ik ben er ook al tegen dat kinderen rondlopen met symbolen die ze zelf niet begrijpen), waardoor hij er meer als een vissertje dan als een piraat uitzag, en hoewel onder het rokje van de indianendochter nog een dikke gevoerde broek uitstak omdat het tenslotte winter is, ondanks dit alles zagen ze er prachtig en schattig uit en was ik trots op hen zoals ze daar stralend gelukkig stonden te wezen tussen 4 prinsessen, 5 mega-mindies, een pipi-langkous en een kabouter plop of zes. En toen viel mij plots vanuit die onpeilbare diepten van de moederliefde een angst te binnen: ‘oei, wat doe ik hen aan om hier met die geknutselde verkleedkleren te staan terwijl alle anderen hier een prachtig pakje hebben gekocht. Zullen ze niet uitgelachen worden?’.

Ik heb mij snel herpakt. Want ik wil natuurlijk niet dat ze synthetische pakjes gaan kopen en dragen. Ook dat is ecologie: stel je kostuumpjes zelf samen en maak van die piratenhoed volgend jaar een Charlie Chaplin en van de indianenrok een omaatje. En voor de school: moedig je kinderen toch aan om zelfgemaakte kostuums te dragen. Zo gaat het er op de school van mijn metekind aan toe, en met groot succes. Wie een lange jas van zijn vader aantrekt is tovenaar, en een kind met een T-shirt vol verfvlekken speelt kunstenaar. Ecologisch toch? En het stimuleert de fantastie: dit jaar bedachten metekind en vriendinnetje dat ze zich als siamese tweeling gaan verkleden: ze trekken ongeveer dezelfde broek en pull aan, en gaan vervolgens een been en een arm aan elkaar vastmaken. Kan het nog beter?

Blijft dat ik daar even als arm moederschepsel vol medelijden naar de kroost stond te kijken, daarna weer moedig dacht ‘het zal hen sterk maken’, dan weer medelijden kreeg, enz.  Ze zijn nu dus anders. Dankzij hun moeder en vader vallen ze op in de school. En waarom doen hun moeder en vader zo altijd van die dingen die anders zijn dan wat de andere mensen doen? Wel, eigenlijk door hun opvoeding. Mevrouw onderdeappelboom droeg veelal tweedehandskleding zonder daar ooit bij stil te staan.  Ik mocht niet meedoen aan acties voor de vredeseilanden maar moest wel kleding naar tele-onthaal brengen. Terwijl de meeste leerlingen ergens een mooie pen gevonden hadden waarop ‘danku juf’ stond, moest ik een bakje aardbeiden van de boer even verderop afgeven. En het hoogtepunt van het jaar was de vragenlijst van het (toen nog) PMS (nu CLB). Bij ‘beroep moeder’ volgde steevast een tirade over de minachting voor huishoudelijk werk die dan eindigde met zinnen als:  “schrijf maar gewoon op: ‘doet alle werken’ ” of “alle beroepen”. Bij ‘gewicht moeder’ kreeg ik een inkijk in hoe men kinderen beoordeelt op basis van hun afkomst, hoe schandalig het was dat ze dat wilden weten, en ‘dat ze wel eens wou weten hoe ze gingen bewijzen dat het gewicht van de moeder een invloed had op de cijfers van de dochter’. Bij ‘gewicht moeder’ stond dan uiteindelijk altijd ‘wisselvallig’ of ‘gewicht onbekend’.

Ik zou willen schrijven dat ik uit deze kritische opvoeding die mij ook altijd anders maakte dan de anderen toch ook goed ben uitgekomen, maar ik veronderstel dat jullie dat misschien gaan willen betwisten 🙂 Het heeft me in elk geval geen trauma opgeleverd, en me van allerlei zaken bewust gemaakt. Al bij al denk ik dat ecologisch/bewust denken dan toch goed is voor de kinderen. Ook voor mijn piraat en mijn indiaantje. Sorry kindjes…

Read Full Post »

Ik durf niet met zekerheid beweren dat het zo geschreven wordt, maar het klonk in elk geval wel zo: ‘vasloopplekkie‘. Het is Afrikaans. Zeg niet: Zuid-Afrikaans, want ook al wordt het in Zuid-Afrika gesproken,  de taal heet toch gewoon ‘Afrikaans’. En zeg ook niet ‘dat het toch zo’n aardig taaltje is’, want dat is wat ze benoorden de Moerdijk ook wel eens over ‘ons’ Vlaams plachten te zeggen, en daar worden we dan een beetje kriebelachtig van. De Afrikaner mens, zo heb ik begrepen, wordt daar eveneens een beetje kriebelachtig van. Meer nog: boos, want de verschillen tussen grondwet en praktijk willen in Zuid-Afrika al eens treuriger uitvallen dan in ons Belgenlandje. Maar ik wil het hier niet hebben over taal, want zoals ik van mijn Zuid-Afrikaanse gespreksgenoot vernam:  ‘die tale is e morsige situatie’. Afblijven dus, en terug naar mijn ‘vasloopplekkie’: een plekje om je in vast te lopen.

Voor meneer en mevrouw onderdeappelboom is natuur een late roeping. Of eigenlijk: het was een zeer vroege roeping, maar dat beseften we niet. Het was pas toen we een appartementje in Gent gingen bewonen, dat we beseften dat we vaker de fiets namen dan naar de film gingen (min of meer), daarbij elk een eigen richting uitrijdend, om drie uur later terug thuis te komen en te ontdekken dat we nagenoeg hetzelfde parcours hadden afgelegd: Zomergem, Nevele, Hansbeke, Afsnee, Zevergem, en zelfs tot het bos van Ursel (maar dan raakte ik niet meer terug :-)). En dan ook overal de bos- en landweggetjes die zo verlaten mogelijk waren. Niet echt een stadsleven dus, maar een beetje vlucht naar ‘den buiten’.

Bij een terugblik beseften we dat onze jaren daarvoor eigenlijk van hetzelfde laken een broek waren: veel genieten van de stadsgeneugten, ja, maar dan toch telkens weer wegvluchten naar zoete waters, beernemse bossen, abdijparkjes en kruidtuinen. En als je dan een huis gaat zoeken, dan besef je al snel: het zal er eentje op het platteland moeten zijn.

We vonden wat we zochten. Dat ‘platte’ valt wel een beetje tegen (;-)), maar qua ‘land’-elijk zit het helemaal goed. We bevinden ons tussen de koeien en de schapen, kijken uit op meerdere weiden, en leven ver weg van de ergernissen van autosnelwegen en landingsbanen.  We proberen vogels en dieren blij te maken met onze tuin, beginnen eigen groenten te kweken en halen datgene wat we tekort hebben zoveel mogelijk ’s zondag op de markt, met de fiets.  En wat het mooist van al is: onze eigen kleine bengels kunnen hun hart ophalen aan het buitenleven. Geen stadspark of weekenduitstapje op betonnen paadjes door het bos voor hen, maar dagelijks de tuin in van zodra het maar even droog is en ze er zin in hebben. Kortom: elke dag een beetje vakantie in ons eigen huis.

Maar wat zijn nu de statistische cijfers van al dat geluk? Wel:

Waterverbruik: zeer zuinig, met eigen regenwater.

Warmteverbruik: geen aardgas mogelijk bij ons, maar we proberen te compenseren met de immer brandende haard en diverse energiebesparende maatregelen kunnen er in de toekomst altijd nog bijkomen.

Elektriciteitsverbruik: eigenlijk niet zo laag, met al dat brood bakken, confituur maken, enz. Daar staat tegenover dat dat voedsel dan tenminste geen transport aflegt, en dus een lagere ecologische voetafdruk heeft.

Tijdsgebruik: ahum…

Qua tijdsgebruik is ons leven op het platteland eigenlijk niet het allerbeste wat je kan bedenken.  Je kan bijvoorbeeld maar best een grote diepvries hebben of je rijdt je een ongeluk aan boodschappen. En dat verbruikt natuurlijk ook. En als je omwille van je opleiding eigenlijk enkel leuk werk in de hoofdstad vindt, dan rijd je je ook nog eens horendol van en naar het werk. Met de trein, natuurlijk, allemaal quality-time, buffer tussen werk en huishouden, gelegenheid tot eigen ontplooiing met boek of krant, enz. maaaaaar: toch 2 uur per dag kwijt aan transport èn door middel van rare uren, schoolgaande kinderen enz. ook nog eens 2 auto’s nodig :-(.  Dus in ons geval, met werk in de stad en ziel op het platteland, is een huisje op de buiten eigenlijk een domme, en lang niet zo ecologische keuze als ik had gehoopt.

Wat zou het worden met een huisje in de stad?

Statistisch:

Waterverbruik: wellicht leidingwater en dus niet positief

Warmteverbruik: misschien een rijhuis en dus warmer dan een vrijstaand huis, minder brandstof nodig, en vermoedelijk aardgas.

Elektriciteitsverbruik:  lager.

Transport: gereduceerd tot een minimum. Maximum één wagen, en wie weet zelfs cambio.

Tijdsgebruik: oneindig veel positiever, want vlakbij werk, school en hobby.

Dus, denk ik dan: als ik een ecologisch correct wezen wil zijn, zou ik beter naar de stad verhuizen. Dan lever ik wel geen concrete bijdrage door het cultiveren van tuin en grond, maar ons verbruik zou een pak lager liggen. Nu betalen we ons genot op den buiten met twee vervuilende auto’s, veel kilometers, en een zeer ingewikkelde agenda om toch zoveel mogelijk bij de kinderen te kunnen zijn. Op naar Brussel dus!

Maar moeten we dan elke avond, vakantiedag of weekend doorbrengen in een plaats waar we eigenlijk niet willen zijn omdat dat toevallig praktischer en ecologischer is op de dagen dat we wèl werken? Als we nu, na onze veel te lange verplaatsingstijd eindelijk met de kinderen thuis zijn, zijn we tenminste op een plek waar we echt graag zijn en waar niets ons nog herinnert aan het werkleven dat we daarvoor hadden.
Niet dat onze job ons geen plezier bezorgt, integendeel. Maar het universum daarbuiten is wel bijzonder uitgebreid en heel vaak aantrekkelijker. En het leven op het platteland, met alle wijze levenslessen die daar bij horen, is zeker een deel van dat universum dat we aan onze kinderen willen meegeven: thuiskomen met de was die klappert tussen de bomen, de geur van een brood in de oven, en enkele mussen die tussen de struiken voor het raam hoppen.

Wat me naar mijn Zuid-Afrikaanse gespreksgenoot terugbrengt: we hebben ons vasloopplekkie gevonden.  We zijn er langzamerhand aan het wortelen; het zal de plaats zijn waar onze kinderen hun jeugdherinneringen vandaan halen, en het is de plek waar na het werken dagelijks naar toe gespurt wordt. En nee, ons buitenleven is niet zo ecologisch als eigenlijk zou moeten. Ik hoop dat de onbespoten groentjes die binnenkort weer gezaaid zullen worden, ter compensatie mogen tellen…

Read Full Post »

Oei, we zijn verkeerd!

Het stond een tijdje terug al in Eos, en ik ben het dan maar eens gaan uitpluizen op het net: De Royal Horticultural Society (RHS) onderzoekt de biologische meerwaarde van het ecologisch tuinieren. De algemene drijfveer achter het aanplanten van inheemse plantensoorten is immers de overtuiging dat deze planten meer insecten, vogels, enz. lokken, en het dierenleven dus beter ten goede komen dan uitheemse planten. De RHS durft dat nu te betwijfelen. En niet zomaar, maar op basis van eerder onderzoek, waarbij een hogere biodiversiteit werd waargenomen bij stadstuintjes mèt exotische soorten, dan bij de tuintjes met louter inheemse planten.

Tijdens een 4-jaar durend onderzoek zal de RHS 3 verschillende aanplantingen bekijken: eentje met louter inheemse planten (uit Engeland natuurlijk, wat had je van de utterly British RHS verwacht :-)), eentje gecombineerd met half-inheemse planten (uit pakweg het Noordelijk halfrond) en een laatste met exotische planten erbij (uit het Zuidelijk halfrond dus). En dan gaan ze beestjes tellen, soorten determineren, enz. Ze gaan de tuin ook onderhouden, wat vermoedelijk wel van belang is. Op die manier gaan soorten niet overheersen. Dat lijkt misschien tegennatuurlijk, maar ze  proberen de situatie van een tuin na te bootsen, niet die van een natuurdomein, en in een tuin wordt natuurlijk gewerkt, gerooid, gewied, enz.

’t Is al gebleken: ik ben geen bioloog, ecoloog, neuroloog, of -loog whatsoever (allé, een klein beetje toch maar 🙂 – – het zou trouwens al erg zijn als alleen mensen met het juiste diploma zouden mogen proberen ecologisch te tuinieren), maar ik denk dat er hier en daar nog een mankementje aan het onderzoek zit (de grootte van de percelen, de omgevingsfactoren, het ontbreken van grond- en wateronderzoek, ik zeg maar wat). Niettemin vind ik het een fantastisch onderzoek. Ik zei eerder al dat ik niets heb tegen een uitheemse plant zo nu en dan, als hij tenminste braaf is, niet van zijn plek wegloopt om andere planten te vermorzelen,  en weer wat extra voedsel voor bepaalde beestjes oplevert. Ook bij Boer Thomas las ik iets soortgelijks, en Annetanne bekende eveneens dat er hier en daar een exootje tussen de inheemse planten staat. Als het onderzoek voor een beetje open geest kan zorgen, is dat dus goed meegenomen. Helaas eindigt het project maar in 2012;  tot dan moeten we dus nog maar gewoon ecologisch verder doen. En als ik dan de resultaten van het onderzoek niet snap, dan kom ik het gewoon aan jullie vragen; in ruil krijg je een bokaaltje kweepeerconfituur 🙂

(Volledig stuk staat hier: http://www.rhs.org.uk/learning/research/projects/plants4bugs.htm)

Read Full Post »

Hoewel we tijdens onze reis meer geld hebben opgedaan dan de bedoeling was, konden we daar bij thuiskomst niet al te veel van merken op onze bankrekening. De reden daarvoor: het kindergeld was gestort.

Het is nu niet dat je daar de hele opvoeding van je kind mee kan betalen (na twee paar nieuwe winterschoenen was het al bijna op), maar het is toch een leuke opsteker waardoor er weer heel wat extraatjes vanaf kunnen.  Maar de staat betaalt dat natuurlijk niet zomaar. Het is omdat zij vindt dat kinderen krijgen positief is, dat ze het subidieert. Om dezelfde redenen subsidieert ze alle maatregelen die de combinatie gezin-werk makkelijker maken (ouderschapsverlof, borstvoedingsverlof, tijdskrediet, enz.). Met andere woorden: de staat is blijkbaar serieus gediend bij onze procreatieve bezigheden. Dan moest ik toch eens opzoeken waarom dat wel zo is.

Een paar Europese en Belgische rapporten later zijn dit de conclusies: het geboortecijfer van West-Europa staat momenteel op 1.5. Naar schatting zal dat tegen 2030 oplopen naar 1.6 of maximum 1.7. Met andere woorden: we bollen er met z’n allen op achteruit; de bevolking neemt stelselmatig af. En waar ik nu dacht dat dat fantastisch positief was in termen van de belasting van de planeet, ecologische voetafdrukken, enz. blijkt dat helemaal niet goed te zijn: met de kleine schare kinderen die nu op de planeet wordt gezet, krijgen we de vergrijzing namelijk niet betaald. De ziekteverzekeringen zullen duurder moeten worden, de kapitaalkracht van de mensen zal erop achteruitgaan, en uiteindelijk zal de hele economie kelderen.

So what, dacht ik. Dan gaat het maar 20 jaar slecht; tegen de tijd dat onze kinderen volwassen zijn geworden is alles terug in evenwicht. Maar voor evenwicht moet het geboortecijfer binnen 20 jaar dan wel weer op 2 staan; want zolang het daar onder zit, gaat het totale aantal achteruit en blijft de vergrijzing duren. Dat heeft ook de staat gesnopen: met al die maatregelen voor uitbundigere voortplanting komen ze er niet. Wie kan dan nog helpen? Gezinnen die wèl nog veel kindjes op de wereld zetten: migranten.

Denk nu niet dat ik met mijn compleet ongenuanceerde samenvatting van die Europese bevindingen een aanklacht tegen migratie wil houden, of tegen al die andere voordelen zonder dewelke wij als gezin zeer ongelukkig zouden worden. Het enige wat ik met ontsteltenis vaststel, is dat nergens sprake is van de ecologische aspecten van het krijgen van kinderen. Wat is nu het beste voor de planeet? Als we het met z’n allen bij 2 kinderen houden, dan gaat de bevolking achteruit (de vele echterparen zonder kinderen of met 1 kindje in rekening gebracht). Zou dat niet prima zijn voor de natuur? Of moeten we er 3 op de wereld zetten, om een perfect evenwicht te krijgen? Dat zijn dan wel weer 3 vervuilertjes erbij. Beter helemaal geen kinderen dan? Of doen zoals een kennis het zegt: “Ik wil er 4; dat zijn er dan tenminste 4 waarvan ik weet dat ze het ecologisch goed zullen doen en daar kan de wereld alleen maar baat bij hebben. ” – “Omdat je ervan uitgaat dat wij zo’n perfecte opvoeding geven?” vraag ik. – Ze knikt. – “Ja, dat is natuurlijk zo,” zeg ik 🙂

Zouden de heren en dames minister daarover eens geen rapporten moeten publiceren? Sinds pakweg half september is de planeet ‘op’ en zijn we blijkbaar al door zijn reserves aan het gaan. Krijgen we dat opgelost door gloeilampen door spaarlampen te vervangen of zou er toch méér voor nodig zijn? Als we allemaal een minimale ecologische voetafdruk zouden hebben, kunnen we dan wèl eindeloos stijgen met onze bevolking? Of hebben we ergens een plafond? Daar mogen de heren en dames die andere opleidingen gevolgd hebben dan ikzelf zich eens over buigen, vind ik.  Eén rapportje maar, of kindergeld in ecologisch opzicht te verantwoorden is (in financieel opzicht voor veel gezinnen uiteraard wel), en ik zou al heel tevreden zijn.

Read Full Post »

Het begint een beetje een gewoonte te worden: op vrijdag verlaat ik het terrein van planten en groenten, en sla ik aan het bespiegelen. Een beetje een zijweg inslaand en allerlei oeverloos gezwam en diepzinnig geleuter opdiepend. Vrijdag-Verpakte-onzin-dag. En ’t is toch wel weer van dat zeker?

 

Als student amuseerden we er ons graag mee: met het rondstrooien van clichés en het toepassen ervan tijdens het rondkijken naar andere studenten. Regenboogsjaal? Pol en Soc! Mantelpakje? Rechten! Gescheurde broek? Filosofie!

Clichés zijn dom, idiomatisch, on-creatief, verpletterend soms. Maar ook o zo leuk. Starend op het perron van Brussel Zuid de passagiers van de Thalys proberen identificeren: die grote, een Hollander! Die met die bruine ogen: een Française! Of, erger nog, op het perron van Brussel Centraal: Daar, een Waal! Daar, een Vlaming! En zelden verkeerd zijn op de koop toe.

Clichés kunnen lollig zijn, zolang anderen ze niet op jou toepassen. Dan zijn ze al gauw ergerlijk; dat heb ik zowaar op school geleerd: de mens is niet graag voorspelbaar. Ontmoet iemand die je al 20 jaar niet meer gezien hebt, en zeg dan: “Je bent nog geen haar veranderd”. De persoon in kwestie zal er niet bijster gelukkig mee zijn. We denken nogal graag eens dat we zeer inventief en open van geest zijn, met altijd weer zin in iets nieuws, aangepaste ideeën, betere inzichten, wijzer met de jaren, en elke dag een beetje beter in opvoeden. “Ik ben veel veranderd tov vroeger” kan meestal op meer sympathie en bewondering rekenen dan diegene die nooit veranderd is. Toch is het maar de vraag hoe evoluerend en vernieuwend we zijn. Dat weten ook marketeers. En ze maken er gebruik van: abonnementje op de Morgen? Reken maar dat er een folder van Groen! in je bus valt. Lezer van de Standaard? Klara stuurt je wel een sticker voor op de auto, en de betere wijnhandelaar weet je ook wel te vinden. Ben je goed in muziek? Grote kans dat je ook aanleg voor wiskunde hebt! Zeg je Nieuwsblad? Dan zeg ik sport, opel, Maes!

Nu, waar dat geraaskal van mij toe moet leiden: mijn eigen domme vooroordelen natuurlijk. Want zeg tegen mij Velt of Natuurpunt, en dan denk ik: Groen!, wereldwinkel, bioproducten, linnen schoudertas, platte sandalen, bachbloesems, ruitjeshemd, henna, zuid-amerikaanse muziek! Jaaaaaa, clichés; diepgeworteld, ongenuanceerd, vol vooroordelen, en al wat je maar wil. En ze zijn zelfs zo grondig dat ik tot dit jaar altijd geweigerd heb lid te worden van één van beide verenigingen. Want ik ben zo niet, dat spreekt voor zich 🙂 Maar na een paar jaar genieten van het door Natuurpunt beheerde gebied in mijn achtertuin, begon het me te dagen dat ik toch wel hypocriet bezig ben, en heb ik het toch gedaan: lid worden van Natuurpunt. En helemaal klaar om te beseffen dat clichés onzin zijn. Ik stort dus, en teken onmiddellijk in voor domiciliëring en al.

Vier maanden (!) later wordt mijn storting bevestigd en krijg ik mijn lidmaatschapspakket. En er zit een bon bij. Van 2,5 euro. Bij Oxfam… Toeval toch?

Bladerend in de boekjes kom ik twee foto’s van plaatselijke bestuursgroepen tegen. Allemaal mannen. Met baarden. En ruitjeshemd… Al minder geneigd om in toeval te geloven bericht ik van mijn wedervaren aan een kennis/bestuurslid Natuurpunt. “Bij ons is dat toch niet zo”, weet hij te zeggen. En zijn hippe T-shirt bewijst zijn punt. “En er zitten bovendien twee vrouwen in het bestuur.” Na enig nadenken van zijn kant: “Maar de ene doet aan bachbloesems en de andere kristaltherapie…”.

Sja, ik heb er natuurlijk allemaal niets tegen. Meer nog, ik moet toegeven dat eens je met één ecologische overweging bezig bent, je al snel overal bezwarende gedachten bij krijgt: zou ik niet beter ecoverf kopen ipv Colores del Mundo? Is het wel verantwoord te kiezen voor goedkope sun-vaatwasblokjes als er ook van ecover bestaan? Mijn kleren, moet dat geen biokatoen zijn? En mijn loopschoenen, hoeveel kleine kinderhandjes zouden daaraan hebben gewerkt ? En voor ik het goed en wel besef, sta ik dus zelf daar, op sandalen, met een linnen tas over de schouder en daarin De Morgen, wat biogroenten, en chocolade van de wereldwinkel. En dan wijst de hele wereld mij aan, en roept: Geitewollensok!

Geitewollensokken zijn toffe mensen, uiteraard. Maar de trouwe lezer kent ondertussen mijn roeping: ik wil de niet-geitewollensokken overtuigen dat je best ecologisch kan zijn zonder te worden zoals de mensen die ik met al mijn clichés beschrijf (en die velen delen). Ik had, bijvoorbeeld, best wel grote reclameboren willen zien richting ecoflora, met duidelijke pijltjes waar de vijverplanten, waar de schaduwplanten, enz. staan. Zo kennen we dat van ‘andere’ tuincentra, en het zou er misschien toe kunnen leiden dat meer mensen per ongeluk langskomen en van plezier beginnen rondstruinen? Ik had de schommel/glijbaan wel in betere staat willen vinden, met ernaast een dame op hakjes en een heer in kostuum die in hun aktentasje voorzichtig wat klein hoefblad, boshyacinten en kattekruid meezeulen. Ik zou onze plaatselijke biowinkel wel eens tussen de Hema en Mobistar in willen tegenkomen, in plaats van in een achterafstraatje nabij het station. Het zou mij verblijden als ik ook aan de brievenbus van dat statige kasteel in de buurt een bordje van VELT zag hangen, als er eens een dame met gefhöhnde haren en tien dure ringen een thuiscursus moestuinieren kwam geven, als mijn baas onder zijn kostuum zelfgebreide wollen sokken zou dragen, als de nieuwe minister-president van de Vlaamse regering met een linnen tasjes over zijn schouder voor de camera zou verschijnen, enz. enz.

‘Als, als, als, als mijn tante wielekes had, het was een karretje’, zo zegt een spreekwoord uit mijn thuiselijke buurt. Of in de variant die meneer onderdeappelboom kent: ‘Als,als, als, als onze hond een koe was, we konden hem melken’. Vertaling: droom maar lekker verder; kleine kans dat dit ooit werkelijkheid wordt.

En het moet natuurlijk niet allemaal zo’n vaart lopen, en het is ook gewoon vanzelf al superpositief aan het evolueren (weet iedereen die vorig weekend de eco-bijlage las bij (wees nu verbaasd:) De Morgen!). Er zijn de eco-initiatieven van festivals, de toename van eigen moestuintjes, de eco-broodjeszaken in drukke kantoorsteden, de bio-collectie van JBC, de stijgende verkoop van bioproducten in Delhaize, enz. enz.

 Maar ik, gewoon ik, voor mezelf, persoonlijk, zou dat wel aangenaam vinden, als de hele wereld wat minder clichébeelden had bij het woord ‘ecologie’. Er er ook minder aanleiding was om die te hebben. En ecologisch denken ‘normaal’ werd, voor iedereen combineerbaar met pendelen, carrière, enz.  Of ben ik nu de enige die een probleem ziet?

Read Full Post »

Naarmate het weer beter wordt, gaat het aantal reacties op mijn blog achteruit (;-) (hierover en over andere kijkcijferdruk later overigens meer)), maar ik ga dapper door met mijn queeste: de wereld een beetje natuurbewuster maken.

We zijn ondertussen april, en het wordt dus tijd om het eens over de siertuin te hebben. Terwijl er voor de ‘klassieke’ siertuin (met cultivars, hybriden, enz.) een Antwerps Bouwcentrum vol boeken bestaat, is het met de literatuur over ecologische siertuinen nogal magertjes gesteld. Jawel, er bestaat wel één en ander, dat weet ik, maar dat is niets in vergelijking met het aantal klassieke tuinboeken dat zelfs in het kleinste boekhandeltje of boekenfabriekje àla De Standaard te verkrijgen is. In mijn persoonlijke missie om de mensheid te bekeren, zal ik jullie dus (in meerdere delen dan nog wel!) eens grondig vervelen met standplaats, plantenkeuze en schemaatjes allerlei (in paintshop, hoera!) van min of meer inheemse planten.

Vandaag deel 1: Diep Nadenken, al dan niet bij een potje koffie.

Zullen later nog op de agenda verschijnen: 

Deel 2: De binnentuin

Deel 3: Borders

Deel 4:  De schaduwtuin

Deel 5: Siergrassen

 

Het nadenken dus. Dat volgt in zekere mate een stappenplan: (a) Waar moeten de bloemen komen? (b) Wat zie ik graag? (c) Wat is ecologisch? (d) Hoe bouw ik het op?

(a) Waar moeten ze komen?

Eén van de belangrijkste regels in het ecologisch tuinieren is dat je de juiste plant op de juiste plaats zet. Logisch: een schaduwplant in de zon zal het minder goed doen dan een schaduwplant in de schaduw. En als een plant het minder goed doet, is de verleiding om met busjes en korreltjes allerlei aan de slag te gaan natuurlijk al iets groter. Beperk je dus tot het gamma dat geschikt is voor de plaats die je in gedachten hebt. En stel je daarbij de twee voornaamste vragen: Is deze plaats zon, halfschaduw of schaduw? En is de grond droog, normaal of vochthoudend? Je zou je ook kunnen bezig houden met types grond (leem, zand, klei, enz.) en plaats (bosrand, winderig, veel stenen, enz.) en dan verhoog je de kans op succes nog een beetje. Maar je bezig houden met die eerste twee vragen is al heel wat.

(b) Wat zie ik graag?

Je kunt het geluk hebben alle bloemen op je duimpje te kennen en uit het hoofd de leukste planten te kunnen kiezen, maar veel waarschijnlijker is dat je toch graag een houvast hebt in de vorm van fotootjes. Een site die ik graag gebruik om bloemen te kiezen, is die van Atuin.  Het is een beetje misbruik, want ik heb er nog nooit iets gekocht. Maar aan hun zoekfunctie is moeilijk te weerstaan: je vinkt het type grond en de hoeveelheid zon aan, en atuin geeft je binnen de minuut een heel scala aan mogelijkheden. Je kan ook beperken op kleur, bloeiwijze, bloeitijd, enz. en zo uiteindelijk een lijst aanleggen van wat je mooi vindt, èn wat geschikt is voor de plaats waar je wil planten.

3) Is het ecologisch?

Een nadeel van Atuin is natuurlijk dat het geen ecologische kwekerij is. Eens ik mijn lijstje van mooie planten heb, zoek ik die dan ook op in de database van ecoflora of de fantastische site van de kulak.  Blijkt daaruit dat de planten die ik mooi vind inheems  zijn (of dat er een inheemse vulgaris-versie bestaat van de cultivar op mijn lijstje) dan neem ik die. En dan zijn er meestal nog enkele gecultiveerde planten waar ik moeilijk afscheid van kan nemen, omdat ik ze mooi vind, omdat ze met leuke momenten verbonden zijn, enz. Voor die paar planten sla ik aan het zoeken: van waar komen ze, hoe leuk vinden de beestjes hen, hoe resistent zijn ze voor ziekte, wat is hun verwilderingsdrang, enz. Als ze daarbij een beetje goed uit de verf komen, koop ik ze ook. En dan aarzel ik zelfs niet om een heel bijzondere variant te kopen die eventueel wat duurder is. Het oog wil tenslotte ook wat. Japanse en chinese dingen gooi ik er bijna onmiddellijk uit, met uitzondering van de Japanse anemoon, die mij altijd weer door de knieën doet gaan (idioot, want hij palmt al de rest in). En al zoekend bij ecoflora en de kulak komen er altijd ook nog wat bloementjes bij die ik op atuin niet had gezien.

(4) Hoe bouw ik het op?

Ecologische siertuinen zien er meestal een beetje als pluktuinen of wilde tuinen uit. Daar hou ik ook van, maar het spijtige is dat een heleboel mensen daar wat minder enthousiast voor zijn, en er zo een groot deel van de bevolking niet overtuigd kan worden van de keuze voor inheemse planten. Die inheemse bloemen durven inderdaad verwilderen, maar ik ben wel zeker dat je ook met autochtoon plantengoed een zeer strakke, moderne tuin zou kunnen aanleggen (en dan zou er misschien een groot deel van de bevolking erbij gewonnen zijn). Streven naar eenheid van kleur en soort kan strakheid in de hand werken, de bloemen min of meer hun gang laten gaan werkt meer het type wilde boerderijtuin in de hand. Een tussenweg is om een beetje te plannen (de hoge achteraan, de lage bloemen vooraan) en de wildgroei slechts met gematigde hand tegen te houden; elk volgens eigen smaak natuurlijk.

Dit moet zowat de basis zijn vooraleer aan de concrete beplanting te beginnen. Het klinkt nogal betuttelend, vind ik persoonlijk, maar je weet maar nooit wie er iets aan heeft natuurlijk…

Read Full Post »

Wat is eco?

euh-plantjeIk had me voorgenomen dat dit een blog moest worden over alles wat je onder een appelboom kunt doen : naar de tuin staren, ja, maar zeker ook boeken lezen, taartjes smullen, van aperitiefjes nippen, en bovenal genieten van de kinderen. Door de aard van het seizoen gaat het momenteel echter vooral over de tuin (garandeert ook iets meer anonimiteit natuurlijk). En tot mijn grote verbazing zijn er allerlei vriendelijke ecobloggers die mijn blabla hier aan hun blogroll toevoegen, mij van goede raad dienen, èn mij bovendien naar opendeurdagen uitnodigen. Ik ben daar zeer verbaasd en verheugd over.

Maar, ik denk dat ik deze mensen nu slag om stoot ga ontgoochelen. Ik kan nog wel een beetje doen alsof, maar het komt er toch vroeg of laat uit, en ik beken het dus maar meteen: ik heb zeer veel Kritische Vragen bij ecologisch tuinieren. Uit onkunde, natuurlijk. Maar toch: slik!

Eco-bijbel Velt zegt het volgende over een ecologische siertuin:

‘ Een ecologische siertuin houdt rekening met de menselijke wensen en behoeften én wil bijdragen aan meer natuur, aan het herstel van het landschap en aan een schoner milieu. In een ecologische tuin wordt gekozen voor planten die zijn aangepast aan de grondsoort en aan de omstandigheden. De voorkeur gaat uit naar streekeigen bomen en struiken. Op die manier help je mee aan het ‘typisch’ houden van de streek.

In die menselijke wensen kan ik me vinden. Dat is een eerlijke visie. Tuintjes aanleggen is ‘des mensens’, is cultuur, en een echt stuk natuur creëer je dus niet met zelf plantjes in bepaalde volgordes te planten. Dat is alleen maar imitatie. (wel goede imitatie natuurlijk)

Ook planten die zijn aangepast aan grondsoort en omstandigheden zijn een onbetwistbare regel. Je wilt het niet op je geweten hebben dat een plant schimmels krijgt omdat jij hem persé in je tuin wil, terwijl hij veel gelukkiger zou zijn op de bahama’s. Die magere ficus, weg ermee dus!

Maar o maar, dat woordje ‘streekeigen’. Dat klinkt zo ongematigd; in mijn oren toch. Daar lijkt zo’n onwrikbaar geloof aan vast te hangen in het bestaan van een oeroude traditie, een vast omlijnd plantenbestand, dat weer tot leven zou kunnen worden gewekt als iedereen maar beter zijn best deed. ‘We gaan terug de planten zetten die hier altijd hebben gestaan, vooraleer alles met uitheemse planten en properheidsdwang werd bedreigd’.

Maar waar is ‘hier’? En wanneer is ‘altijd’?

Herstel van het landschap, noemt Velt het, maar het landschap van welke periode, welke tijd, en welke functie? Zie ik het verkeerd als ik de indruk heb dat ecologie een bepaalde periode terug in ere wil stellen, een bucolica van Europese wilde planten in een tijd lang, lang geleden? En snap ik er geen jota van als ik denk dat die periode toch nooit echt heeft bestaan?

Er worden tegenwoordig nogal wat Amerikaanse eiken gerooid. Ik kan dat begrijpen, want die kerels palmen voor je het weet een heel bos in en sturen je beuken, inheemse eiken, enz. wandelen. Maar die beuk is, wanneer je wat verder terugkijkt, al even uitheems. Ooit was Vlaanderen een moeras, met berken, en hier en daar een eik. Bijna alle bossen zijn aangeplant (we laten het mooie ’t Bos Eename even buiten beschouwing), en bijna alle boomsoorten ingevoerd. En wat met valeriaan, echinacea, enz.? Die zullen er in het moeras allicht niet gestaan hebben. Houtkanten en gemengde hagen? Nog maar een paar honderd jaar oud, toen natuur herschapen werd tot weides en landgoed. Wat ik dus maar wil zeggen: ook al heb ik ontzettend veel enthousiamse voor ecologisch tuinieren, wil ik het als ideaal nastreven en er nog massa’s over bijleren, toch ben ik ook geneigd het met een korreltje zout te nemen. Want wat zou er mis zijn met mijn Griekse sneeuwklokje als het hier even goed groeit als daar, als het de inheemse sneeuwklokjes evenveel tot hun recht laat komen, de bijtjes aantrekt, geen sproeistoffen of extra water vraagt, enz? Dat Griekse sneeuwklokje staat er dus, naast het inheemse sneeuwklokje, onder mijn esdoorn en lindeboom. En die gecultiveerde chrysant uit het ouderlijke huis van mijn grootvader staat er ook. Want is dat nu ook niet mooi, de vermoedelijk zelf-gecreëerde variëteiten die in families worden doorgegeven in ere houden? Ik vind het dus prachtig en verplicht, dat ecologisch tuinieren, maar als het heel erg strak wordt toegepast, dan word ik daar toch ook een beetje bang van. Oei…

Read Full Post »