Feeds:
Berichten
Reacties

Posts Tagged ‘kinderen’

Een tijd geleden dook een vriendin uit de kotperiode terug op. De tweede in korte tijd eigenlijk. Om niet te zeggen de vierde. Merry memories van gigantisch plezante kottijden, feestjes, gedeelde vreugde, theezakjes tegen het plafond, en wat al niet meer. Kilo’s onzekerheid op om het even welk vlak laten we gemakkelijkheidshalve even buiten beschouwing 🙂

Mailingsgewijs deelden we wat kinder-en-help-wat-met-mijn-vrije-tijd-nieuws. Je moet aan de duizend-dagen-champagne-beginnen, zei ik. Ik zal je dat eens uitleggen op mijn blog. Die volgt ze namelijk. Enfin, eigenlijk ook niet. Ze volgde die van de Eigenwijze Tuinier. Of de mijne daar een beetje op leek? Jaja, zei ik, reken maar. Op mail is het gemakkelijk liegen hé 🙂

Ondertussen zijn we een paar maand verder, en kwam het stukje er nog altijd niet van. Gelukkig hebben echtgenoot en ik ondertussen wel onze DuizendDagenChampagne gevierd. We gingen ervoor naar Gent, om er de versie van In de Wulf te bezoeken die haalbaar is voor onze portemonnee. Die versie heet ‘Superette Edwin‘ en houdt het midden tussen een bakkerij en retro-eettent.  In de ogen van de tegenstanders eet je er verbrand brood met onbekende groenten-extraatjes. In de ogen van voorstanders krijg je er tot op een hoog niveau getilde groentenschotels, brood dat smaakt zoals nooit tevoren en een keur aan internationale chefs die staan te springen om het uiterste te halen uit een beperkt aantal ingrediënten en een groot aantal kruiden en specerijen. Na enkele happen vroeg ik: ‘Smaakt het?’ En meneer onderdeappelboom zei: ‘Gho, het is wel èrg natuurlijk’. Waarop we een lachbui kregen. Die werd nog versterkt toen ik tegen de ober zei: ‘Je mag Nederlands praten hoor tegen ons’, overtuigd dat hij ons voor toeristen aanzag. Waarop hij zei: ‘I’d like to but I can’t’. Enfin, het eten was toch lekker, de sfeer van de superette – euh – super, en voor wie het niet meer vindt dan brood met beleg voor een erg hoge prijs (15 euro) bedenkt maar eens wat hij in schimmige cafés soms betaalt voor een uit ketchup bestaande spaghetti. Superette Edwin dus, een goede, maar al bij al merkwaardige keuze voor onze duizend-dagen-champagne, al was het maar omdat ze geen champagne bleken te hebben 🙂 Wel een soort bruisend cider-geuze-wijn-achtig drankje. ‘Wat vind je ervan?’ vroeg meneer onderdeappelboom me. ‘Gho, zei ik. ‘Wel èrg natuurlijk.’ Waarop lachbui 3 volgde. We waren duidelijk al lang niet meer samen weg geweest.

En wat die duizend-dagen-champagne nu is? Die zegt: als het duizend dagen na de geboorte van jullie kindje is, en je bent nog niet gescheiden, ontkurk dan een fles champagne samen.

Niet meer dan dat? Nee, niet meer dan dat.

Idioot? Gho, misschien. Maar niet minder idioot en zeker duizend keer beter dan alle boekjes die je het gevoel geven een slechte ouder te zijn, tekort te schieten, je carrière te laten slabakken, niet vers genoeg te koken, teveel ouder te zijn, te weinig seks te hebben, meer te moeten sporten, enz. Het is een gebaar dat toont wat een prestatie ouderschap in de eerste jaren is. Je hebt het kind vermoedelijk drieduizend keer behoed voor weetikveelwat. Je hebt gegarandeerd ontdekt dat jullie voornemen vooraf om als opvoedingsrichtlijn consequent, duidelijk, maar niet al te streng te zijn tegen je kind, in de praktijk een veelhoud van interpretaties heeft waarbij je vaker niet dan wel die van je partner deelt. Je bent nu duizend dagen verder. Je bent niet gescheiden. Het kind is ok. Ontkurk die champagne nu gewoon.

Read Full Post »

Zondag viel ons kleinste appeltje op zijn poep (zijn achterwerk, voor de Nederlanders onder u). Van een trapje. Op de boord van een volgend trapje. Van steen.

Hij brulde het huis bij elkaar, en dat doet hij normaal niet als hij valt. Vele momenten van troost later was er nog steeds af en toe een nasnik. Hij wandelde en zat weer, maar het was duidelijk dat hij zich wel heel erg bezeerd had, en de hele dag lang liep hij zielig met zijn handje op zijn poep rond en kwam hij regelmatig een beetje treuren dat het pijn deed.

Op maandagmorgen was hij weer behoorlijk ok. Geen redenen zichtbaar om naar ziekenhuis of dokter te rijden. En ’s avonds holde hij alweer over de speelplaats en kwam hij zelf vertellen dat het maar een heel klein beetje meer pijn deed. Oef.

Op dinsdagavond hebben de oudste onderdeappelboompjes zwemles. Het kleinste appeltje brengt ze samen met meneer of mevrouw onderdeappelboom naar de les, en sleurt dan de ouder in kwestie gedecideerd naar het speelpleintje ernaast waar hij netjes een parcours uitstippelt waarbij hij elk speeltuig één keer uitprobeert. Gisteren besloot hij met de schommel te beginnen. En viel er prompt af. Op zijn poep…

Mijn pogingen om zijn gebrul te troosten (aaike, knuffeltje) of af te leiden (kijk, nog een glijbaan! Kom, we gaan naar de eendjes. Of nee, kastanjes rapen!) mislukten behoorlijk, waardoor ik overging tot fase 3: omkopen. ‘Weet je wat,’ zei ik, ‘we gaan in de cafetaria een chocomelkje drinken tot broer en zus klaar zijn met zwemmen.’ ‘Ja,’ snikte hij. ‘Maar dan wel een fristi.’

Met mijn opgebeurd kind zat ik verwachtingsvol aan het tafeltje, vouwde de drankenkaart open, en bedacht dan plots dat ik geen geld bij had. ‘Jammer,’ zei de uitbater. ‘maar we hebben geen bankcontact.’ Waarop mijn opgebeurd kind uiteraard in nieuw snikken uitbarste. Nu begrijp ik natuurlijk dat een cafetaria-uitbater niet zomaar gratis drank kan uitdelen, maar anderzijds: op dat uur is er alleen zwemles; het zwembad is verder gesloten. Alle ouders in de cafetaria zijn dus ouders van kinderen van de zwemclub. En met z’n allen zitten of passeren we daar elke week. Het zou niet zo moeilijk geweest zijn om die huilende peuter te troosten met een drankje en ervan uit te gaan dat ik daar volgende week (zoals elke week) opnieuw zou passeren, mèt geld. Maar niet dus. In plaats daarvan nam ik een snotterende zielepoot op mijn arm terug mee de cafetaria uit, waarna we het komend half uur doorkwamen met tien keer de lift op en af te nemen, en te kijken naar andere sportclubs in de daarrond liggende zalen.

Vandaag was woensdag, en op woensdag heeft de oudste zoon onderdeappelboom badminton in de sportzaal bij het zwembad, en dus ook bij diezelfde cafetaria. Terwijl hij badmintont, ga ik lopen.  Na mijn toertjes in het park, wacht ik hem op bij de zaal met een drankje in mijn hand. Bij het buitenkomen uit de zaal, zegt hij ‘hoi’ en gritst het drankje uit mijn hand. ‘Was het tof?’ vraag ik. ‘Ja’ zegt hij dan. ‘Ben jij weer gaan lopen?’ ‘Ja’, zeg ik. ‘Lekker drankje’, zegt hij dan.

Soms zegt hij ook wel meer. Vorige week bijvoorbeeld, zei hij ‘ja, het was tof, ze houden geen rekening meer met me.’ Dat is belangrijk, voor een 7-jarige. Rekening houden doe je met kleine ukkepukjes waarmee je voorzichtig moet zijn. Pluimen naast je tegen de grond zien kwakken terwijl een grote knaap aan de andere kant van het net staat te grijnzen en je leraar tegen je roept: ‘komaan, terugmeppen, je kan het, geen genade!’ betekent dat je officieel groot bent.Heel belangrijk dus voor de zoon, dat er geen rekening met hem wordt gehouden. En nog een week eerder zei hij: ‘ja, ’t was tof, maar weet je, mama, het gaat niet goed met de ijsberen.’ ‘O’, zei ik, ‘is dat zo?’. ‘Ja’, zei de zoon, ‘dat komt door dat gat. Ik ga je dat eens uitleggen.’

Maar goed, dat drankje dus, en die cafetaria. Vandaag, na het lopen, nam ik een briefje van 20 euro dat ik speciaal voor dit doel deze middag al in Leuven uit een automaat had gehaald. Met dat briefje ging ik naar de cafetaria. ‘Wat mag het zijn?’, vroeg de uitbater van gisteren. ‘Kan u dit wisselen?’ vroeg ik, ‘naar muntgeld?’. Dat deed hij. En vervolgens stapte ik de cafetaria uit. Naar de drankautomaten verderop in de sporthal. En ik haalde dààr ons gedeelde sportdrankje uit.

Gho dat deed deugd.

En zeg nu niet dat zij die drankautomaten wellicht ook uitbaten. Dat doet er niet toe. Nèm.

Read Full Post »

Zoon onderdeappelboom voelt zich niet lekker. Hij gloeit een beetje, hij heeft het koud, zegt hij; de wangetjes zijn rood en de keel klinkt dik. Daarom mag zoon onderdeappelboom na het terug op z’n plaats brengen van jas, sneeuwbotjes en boekentas bij mama in de zetel komen. Met zoveel mogelijk lichaamsdelen schurkt hij zijn steeds leniger wordende lijf tegen moeder aan, dirigeert haar hand rond zijn schouders en zucht diep. Er wordt nog een been bovenop dat van moeder gezwierd, er wordt nogmaals gezucht, en dan zegt de moeder eindelijk wat hij wil horen: “Manneke toch, je voelt je niet lekker hé.” Nee, schudt hij, nee, en met zijn treurigste blik etaleert hij zijn staat van ziek-zijn goed als hij kan. Moeder streelt ondertussen zijn haren, en de zoon laat begaan. Lankmoedig veegt hij met een zakdoek langs zijn neus, zucht nog wat, laat zich door de haren strijken. “Opa”, zegt hij dan, en wijst naar de telefoon op tafel. Braaf belt de moeder naar opa. “Ben je ziek?”, vraagt opa aan kleinzoon. “Ja,” zucht deze diep, en naarmate opa zijn medeleven in steeds lievere termen betuigt, gaan de ogen van de zoon merkbaar stralen. Van danige tevredenheid vergeet hij na het gesprek zelfs terug bij moeder te kruipen.

Weldra drentelt hij door de living. Duwt eens met één vinger tegen de trein van kleine broer.  Schopt tegen de doos barbiespullen van grote zus. Loopt met de handen in de zakken langs de zetels, speelt even met een elastiekje dat hij in zijn broekzak vindt, laat dat vervolgens zomaar op de grond vallen, staat werkloos stil op de speelmat. “Zoon,” zeg ik, “als je nu eens met iets zou spelen in plaats van je te vervelen.”

Baf! “Ik verveel me niet!” Meteen gaan alle registers open. “Ik loop gewoon een beetje rond!”  “Oké dan”, zegt de moeder. “Loop jij dan maar rond; dan lees ik nog wat.”

Nadat nog een aantal kasten, blokken en poppen met een gejaagde hand of voet hebben kennis gemaakt, rent de zoon plots ijlings naar de gang en komt met stralende ogen terug. “Ik heb iets voor jou, mama!” Mama opent de handen en krijgt een perfect gladde blok, van zo’n 10 op 15 cm en 3 cm hoog,  ijs cadeau. “Ijs!” roept de mama verschrikt. “Ja”, glundert de zoon. ” Dat heb ik voor jou op de speelplaats gemaakt. ”  “Maar jongen”, zeg ik, “dat is prachtig, maar waar komt dat nu vandaan?” “Gewoon uit mijn jas”, schokschoudert hij, raapt van de grond een daar ergens neergelaten jas op, en houdt de zak voor me open. “Voel maar eens. Helemaal koud en nat!” Hij straalt.

Het blok ijs gaat op een bordje in de inkomhal. Het moet zo lang mogelijk meegaan, vindt de zoon, en daar is het het koudst. De zoon wil om de vijf minuten gaan kijken hoeveel er al gesmolten is en neemt af en toe ook een brokje mee naar de radiator in de woonkamer om te checken of de wetten van de fysica het halverwege de dag niet laten afweten.

Dan neemt hij doelbewust een puzzel, maakt in ijzige stilte eentje van 100 en eentje van 36 stuks, en doet de helft van de opdrachten van zijn smartgame. Komt tussendoor even knuffelen, zegt dat ik de liefste ben, maar dan echt de allerliefste, en begint vervolgens weer onvermoeibaar aan zijn rondje ‘gewoon rond wandelen.’

“Geen puzzels meer?” vraag ik.

“Nee, puzzels zijn stom.” spuwt de brombeer.

“O” zeg ik. “Zo…”.

De kleuterpuber hangt nog wat rond.
“Waarom maak je niet iets met je kaplablokken?” probeert de moeder nogmaals te motiveren. De zoon twijfelt zichtbaar. “Zullen we een voorbeeldje zoeken?” bijt de moeder snel in de rijpe appel. En de zoon komt tevreden tot bij de moeder en wandelt even later zielsgelukkig naar de speelmat, met in zijn handen een laptop en een voorbeeld van een kapla-boot erop. De zoon moppert niet meer, en het is muisstil. Zo stil dat er zelfs geen enkel geluid van kaplablokken te horen is… Op het gegluur van de moeder blijkt de zoon dan ook helemaal verdiept in de laptop: plaatje groter, plaatje kleiner, volgend prentje, vorig prentje, prentje terug, prentje weg, enz.  De moeder laat de zoon glimlachend begaan, maar gaat de zoon dan uiteindelijk toch helpen (kaplablokken moeten maar zo leuk niet zijn). Samen maken moeder en zoon de kaplaboot, op voorwaarde dat zoon zich dan weer op z’n eentje amuseert. Waarna zoon met zijn vriendenboek tot bij de moeder komt gedrenteld en smeekt: ‘Ga jij dat samen met mij invullen, mama? Toeoeoeoeoeoeoeoe?’

En aldus gaat de moeder van start:

Lievelingskleur? “Paars”

Favoriete TV-programma? “Tom en Jerry”.

Wat wil je later worden? O, dat weet hij niet. “Ik kan niet kiezen.” Geen probleem, dan vullen we ze allemaal maar in. “Schapenherder, timmerman of boer.” Timmerman ook? “Ja, want dan ben ik Jozef, en dan zal ik Jezus misschien eens zien.” (kersttijd, weetuwel… :-))

Waar heb je een hekel aan? ‘Schorseneren. Maar niet die van meter. Die zijn met peterselie en die zijn lekker. Maar die van de refter zijn vies.” Schorseneren dus.

En wat is je grootste droom? Daarop blijft het stil. De zoon denkt, bijt op zijn lippen, denkt nogmaals, en nogmaals. En verzucht dan: “Ik zou zooo graag van mijn kapotte tandenborstel een raket maken!”

Uiteindelijk wordt het toch avond en mag de televisie op staan. De vader komt net binnen als een kinderquiz begint, en hij hoort de moeder zeggen: “Ga je daar nu echt naar kijken?” “Ja,” zegt de zoon. “Maar allé, zo’n stomme quiz!” zegt de moeder. “Neeeeee, da’s mooooi!”  “Ah bah, nee, echt niet mooi.” “Jawel, echt supermooi!”.

“Maar allé, laat dat kind toch kijken!” roept meneer onderdeappelboom. En ziet dan hoe de moeder en de zoon elkaar een elleboogstomp geven en breed zitten te grijnzen. “O,” zegt meneer onderdeappelboom. “Op die manier”.

*

PS De kapotte tandenborstel is effectief een raket geworden. Ook een nieuwe tandenborstel is trouwens een raket geworden; de dochter wou dat uiteraard ook van zodra ze de broer bezig zag, dus er moest een nieuwe aan geloven 🙂

Read Full Post »

Van dochters en zonen

Dochters

je zou ze maken

speciaal

om met witte jurkjes aan

langs bloemen achter vlindertjes te lopen

Grote zonen

je zou ze maken

speciaal

om ze in hun hoogstpersoonlijke wereld van ridders en kastelen te zien verdwijnen

naar het hoekje van kamer of tuin

waar schatkisten verborgen staan

Kleine zonen

je zou ze broekpakjes aandoen

speciaal

om ze op wankele beentjes

aan de hekjes van moestuinen te zien staan

Waarna de ridder op zijn stalen ros springt en onversaagd de poort komt opendoen…

Read Full Post »

Ochtend

Soms, als de nachten koud zijn en het kleinste appeltje zich in de vroege uren bloot woelt, trekt zich op de overloop van onze bovenverdieping een wonderlijke mars op gang. Als eerste roer de moeder zich, in de richting van haar jongste kind, dat ze bij het opnemen uit zijn bedje in lichaamswarmte en grotemensendekens wikkelt. Dan draait de vader zich naar hen toe, om zijn jongste te zien binnenkomen, en om tevreden vast te stellen hoe de zoekende oogjes van het kind in een glimlach plooien van zodra hun blik elkaar raakt. De grote Hij glimlacht vertederd. De kleine hij trappelt van vreugde de dekentjes los. En het grote moederdier duwt onvermoeibaar de dekentjes terug vast terwijl ze met z’n drieën verzinken in het grote bed.

In de nasleep van het gestommel van moeder en klein appeltje, ontstaat geritsel van dons en geschuifel van voetjes in de kamers van de oudste onderdeappelboompjes. Deuren gaan open, grinnikjes weerklinken, en in het spoor van kleine voetjes komt een eindeloze processie van noodzakelijk geachte attributen op gang. Beertjes worden vastgeklemd, kussens worden meegesleept, en in hun kielzog vervolmaken konijn, clown, pop en boek de verhuis. “Hoor, daar zijn ze weer”, zeggen we niet tegen elkaar. Maar we trekken een wenkbrauw op, proberen niet al te vertederd te glimlachen en duwen alvast onze kussens opzij. Wanneer de oudsten dan toch eindelijk joelend de kamer binnen banjeren, schrikken we overtuigend en plichtbewust.

Heel even moet er ruzie worden gemaakt, om wie naast het kleinste appeltje mag liggen en naar wie hij het meest gelachen heeft. Maar weldra schikken zich drie hoofdjes tussen ons in, terwijl meneer en mevrouw onderdeappelboom zich verbazen over hoe daar vroeger toch helemaal niets lag en nu toch werkelijk alles. En hoewel ze beiden zeer goed weten hoe dit alles uit niets ontstond, maakt het er de verbazing niet minder om.

Nauwelijks een minuut duurt het wonder, en dan maken hoofden alweer plaats voor voeten, kruipen koude vingertjes langs onze benen omhoog, klemmen knieën zich rond ons middel en worden we gesommeerd te slapen, te roeien, bergen te helpen beklimmen en met de oren te flapperen. Het kleinste appeltje bekijkt met grote ogen het geweld en lacht uitgelaten om de capriolen van broer en zus. Harmonie in meervoud. Tot een wekker weerklinkt.

Dan is er haast en spoed. We moeten smeren-pakken-voeden-kleden-wassen-opstaan en weer doorgaan. De één moet in de auto springen en scheuren naar zijn werk. De ander moet commanderen, dirigeren en organiseren om van de drie gelukzalig verfrommelde hoopjes mensenkind in bed drie netjes aangeklede, wakkere kinderen met gevulde boekentas en verzorgingstas te maken. De kinderen zeuren, de moeder zeurt, de melk raakt niet op, een beker valt om, ze moeten nog spelen-wassen-plassen-snuiten-kleuren-opruimen en treuzelen. Nog héél even spelen mama. Alleen nog deze puzzel. Dat laatste rijtje pareltjes. En de bel is toch nog niet gegaan?

Later staan we daar dan toch aan die schoolpoort, met boekentas vol drank, fruit en doosjes, sjaals en mutsen, propere schoenen, in de haast nog schoongeveegde mondhoeken en warme winterjassen waar de moeder altijd nog even moet aan morrelen om ze toch nog iets hoger in de nek, iets warmer om de hals te krijgen. En dan moet er nog een knuffel zijn. En nog één. Eén kusje maar. En dan nog eentje. En de mama roept van: “haast”, en “trein”, en “auto op de parking krijgen” maar geeft alsnog een zoen, een aai, een zot gezicht. En dat ze nu echt wel weg moet. Dat de trein niet wacht, maar het werk wel. En dus streel ik samen met de andere ouders de onwillige bolletjes van onze kroost en zeg ik: “hup, ga nu maar leuk spelen”, terwijl mijn hoofd moeizame pogingen doet om in de gure wind over de natte speelplaats een behaaglijke speelplek te zien. “Het wordt zeker en vast plezant vandaag. Ga maar naar je vriendjes”, zeggen ook de andere ouders die hun aarzelende kinderen aan de schouder zacht de speelplaats opduwen. We zeggen “Ga maar spelen”, en denken “Ga gelukkig wezen. Vergeet nu ons bestaan en toon dat je ons niet nodig hebt. Lach samen met je vriendjes de breekbare plooien uit ons hart en huppel het schuldgevoel uit mij weg.”

Read Full Post »

Kleuterjuffen en kleutermeesters. Je bewondert hen mateloos. Hoe ze 25 kleuters in 2 seconden stil krijgen zonder hun stem te verheffen, hen te chanteren of om te kopen. Hoe ze zonder morren vreemde billen kuisen, soms tot 3 keer per dag, en met de glimlach ongelukjes verversen. Hoe ze bijna 8 uur lang dubbelgeplooid zitten op een kleuterkrukje en dan ’s avonds toch weer met rechte rug aan de schoolpoort staan. Kleuterjuffen en -meesters; ze verdienen een standbeeld.

Eén deel van het kleuteronderwijs valt de juffen van onze school echter moeilijk: de communicatie met de ouders. Niet in zover het over de kinderen gaat, maar in zover de ouders iets voor de kinderen moeten doen. Op het vrijdag-info-blaadje, waarop je kunt lezen wat je kleuter de voorbije week heeft gedaan en wat hij de volgende week gaat doen, staat niet zelden een opdrachtje voor mama en papa. ‘Uw kleuter mag maandag een wortel meebrengen om soep te maken.’ Haalbaar. Moeilijker was: ‘Uw kleuter mag een foto meebrengen van zichzelf en papa’, in de periode rond vadertjesdag. Want op zo’n moment is natuurlijk in heel het huis geen foto te vinden waar papa en kind op staan zonder anderen erbij, terwijl ze ook nog eens herkenbaar gefotografeerd zijn. De beste in lange tijd was: ‘Uw kleuter mag maandag een oude schoen meebrengen om te beschilderen.’ Die dag hadden onze arme prutsen helemaal niets bij…

Afgelopen vrijdag luidde de boodschap: ‘Uw kind mag maandag een klein, plat kussentje meebrengen voor op de bank.’ Ik ken de bankjes. Dat zijn er drie, waar in totaal 25 kleuters min één kindje van de dag op moeten zitten. Acht kindjes per bank dus, en dan heb je inderdaad een klein kussentje nodig. Zo van het type dat je vooral NIET standaard in huis hebt. En dan heb je dus een weekend de tijd om aan zo’n kussen te geraken. Eigenlijk alleen de zaterdag, als je het moet gaan kopen. En daar ben ik tegen, dat je dingen moet gaan kopen voor school. Dat is niet democratisch (en ze hebben geluk dat ik een jaartje verlof heb genomen uit het oudercomité, of ze hadden het mogen horen). Dus zou ik het redden met wat ik had.

Na enig zoeken vond ik in De Kast Met Dingen Die We Eigenlijk Niet Meer Moeten Hebben een klein kerstkussentje met drie engelachtige, blonde meisjes erop. Dat vond dochter onderdeappelboom fantastisch, en het eerste kussentje was dus gescoord. Voor zoontje onderdeappelboom was echter niets te vinden in huis. Geen kleine kussentjes meer, geen jongensachtige stofjes om iets mee te maken.

Daarom ging mama onderdeappelboom in de garage dan maar een stuk mousse uit een oude poppenmatras knippen en trok dan samen met zoontje onderdeappelboom naar zijn kleerkast. Daar werden enkele T-shirtjes uitgezocht die toch alleen dienden als reserve of om in de tuin te ravotten. Uit de 4 voorgestelde exemplaren, koos zoontje onderdeappelboom een blauwe met hondjes.

De mouwen werden van het T-shirt geknipt, 3 kanten werden binnenstebuiten genaaid, de mousse ging erin en de 4de zijde werd langs buiten dichtgenaaid.

Het was een beetje krom, het was een beetje te duidelijk in de haast gemaakt (net zoals de foto’s tegenwoordig), maar het was een klein, plat kussentje, èn – het belangrijkste van allemaal – het zoontje straaaaaaalde. Dat ik dat voor hem gemaakt had! En dat dat van een T-shirt was! En vooral: dat het zo zacht was! Mijn kleine woelwater met de ruwe bolster was op slag weer helemaal blanke pit en klein kleuterhartje! En met het zoontje zo Diep Gelukkig, voelde de moeder zich op slag even Geslaagde Moeder. Je kind blij maken met iets dat zelfgemaakt is, geef toe, zelfs voor een immer twijfelend moederhart lijkt dat toch sterk op een Goede en Leuke Moeder zijn?!

Op maandagochtend trok het Diep Gelukkige Zoontje naar school met in zijn zwemzakje het nieuwe kussentje. Hij liep stralend de speelplaats op en holde zijn vriendjes tegemoet. Enkele van hen hadden ook al een kussentje bij en toonden dit aan de Diep Gelukkige Zoon. “Kijk naar mijn kussentje! Van Caaaaaars!” En de Diep Gelukkige Zoon stopte met stralen en keek naar zijn Instant Niet Meer Zo Geslaagde Moeder. En hij zei: “Maar mama, waarom krijg ik nooit iets van Caaaars?”

De moeder slikte en zei: “Maar jongen, het moet toch niet altijd van Cars zijn? Andere dingen zijn toch ook mooi? En jouw kussentje is zeker véél zachter!”.

Maar het jongetje liet zijn lip zakken en zei: “Maar ik wil toch veel liever Caaaars”. En het kleine hartje werd op slag weer ruwe bolster, schrukte zijn rug, en stapte met stug opgetrokken schoudertjes naar zijn klas.

De Niet Meer Zo Goede Mama keek hem even na, en ging toen met hangende schouders naar haar auto op de parking. Daar bleef ze nog even zonder de motor te starten achter het stuur zitten. “Het moet echt niet altijd van cars zijn,” zei ze tegen zichzelf. “Ze moeten leren dat er ook andere dingen dan bekende merken zijn. En die zijn toch ook mooi? En zijn kussentje is toch zeker veel zachter?! Toch?”

Read Full Post »

Zomer is…

… de moestuin langzaam zien groeien.

… een hele hoop plastic buitensleuren tot eindeloze vreugde van de kinderen.

… met de buren staan praten die op een gegeven moment met een eend onder de arm staan en die met de boodschap “niet te veel vragen stellen” gewoon bij je op de vijver zetten.

Verder is er ook gewerkt, wees gerust. Een kruiwagen of 5 onkruid werd op de composthoop gekieperd; een bewijs van hoe de tuin tot onze spijt bij momenten ook compleet verwaarloosd wordt door chaotische werkweken, een dringend schoon te maken huis, of door ikweeteigenlijknietwatnogallemaal. Rond de vijver werd weerom gezeisd, maar we blijven onze strijd tegen de duizenden netels verliezen. Ook het water is teleurstellend: bruin, in plaats van het heldere water dat er vroeger was. Wellicht een gevolg van de eenden, maar die houden dan weer de netels een klein beetje tegen. En zo is het wikken en wegen, organiseren, plannen, werken en stresseren, maar, wees gerust, toch ook volop genieten van het mooie zomerweer. En blij zijn dat we geen last van hooikoorts hebben, want het sneeuwt hier (zonder overdrijven!) weer kilo’s wilgenpluis.

Read Full Post »

Older Posts »