Feeds:
Berichten
Reacties

Posts Tagged ‘taal’

Woordeloos

Zoals ik nu golven van pret over je buikje blaas en je beentjes laat tollen naast je hoofd. Denk je dan: dit is mijn moeder?  Denk jij: dit hoofd, die kraaltjes die ik nooit te pakken krijg en die mond die me haast uit mijn lijfje schudt van plezier. Denk je dan: dit is mijn moeder?

Of als je diep verzinkt in de oksel van je vader, de handjes knus bijeen op je buik, je neusje priemend naar zijn neus. Denk je dan: dit is nu mijn vader, die warme holte voor mijn rug, met kussens van ledematen rondomrond? En hoe hij de lucht rond je oren kan doen trillen als hij zacht ‘mijn suuske’ zegt. Denk jij dan: dat is mijn vader? Hier blijf ik liggen als een kat in de zon?

Je zus: een hoofd met speldjes en frutsels dat zich telkens weer onder je armpjes schurkt. Hoe ze je handjes dan los woelt uit hun greep en er eentje tegen haar wang duwt om verrukt te kunnen roepen: ‘Kijk, hij streelt me zo lief!’ . Of je broer: die golf van branie die plots naast je opdoemt. Die voorwerpen uit hun ban van zwaartekracht haalt en die we soms even bij je moeten weghalen om te vermijden dat je vastloopt in je lach. Denk je dan: dat is mijn broer! Dat is mijn zus!

Of hoe moet het zijn als je woordeloos doorheen de dagen gaat? Als je je handjes soms eens werkloos naast je in je bedje ziet, en ze dan weer in de handen van een oma ziet verdwijnen die van handje-klap wil doen. Of als je op je poep zit, en dan plots de hoogte in gegooid wordt, van zetel naar bed of van moederlijf naar vaderlijf verhuist. Denk je dan: daar gaat mijn hoofd, daar gaan mijn voeten, straks barsten mijn botten van vreugde en is de kriebel in mijn buik al wat rest?

Daarom deinen we mee op het ritme van je weelderige lijfje. Duwen we neuzen in de plooien van je huid en laten onze lippen trillen in de warmte van je hals. We zingen van ‘klein bubbelke, klein bubbelke, klein broekventje van mie’ tot niemand nog aan ademen denkt en we gierend halt moeten houden. Zo laten we ons leiden door je schaterlach. En je moeder, zot van woorden, vlijt zich behaaglijk in jouw vacuüm van taal, en komt geen woord te kort.

Read Full Post »

Badschuimsneeuw

“De Inuït hebben wel 100 verschillende woorden voor sneeuw”, krijg je bij zowat elke taalcursus om de oren geslingerd.  In onze Belgenlandje volstaan ‘sneeuw’, ‘plaksneeuw’ en ‘zo van die natte sneeuw’ meestal wel om het scala aan wittigheid dat we hier in de winter te zien krijgen nader aan te duiden. Drie woorden, als je ze al alledrie in één winter nodig hebt.

Tot het vrijdag opnieuw begon te sneeuwen en de wind de vlokken omhoog blies alsof het zand was. Een sneeuwstorm was het niet, maar het stormde wel met sneeuw.  En omdat ik mijn broer wou waarschuwen, die van elders in het land tot bij ons zou komen voor een middagje tapas, belde ik hem op met de vraag: “Ik weet niet hoe de sneeuw bij jou is?”, waarop hij zei “Gho, raar.”

“Zo van die losse sneeuw?” vroeg ik.

“Ja, maar niet in korreltjes, zo van die echt gekristalliseerde sneeuw precies. En ze plakt niet. Dat wil zeggen: als je ze zo ziet liggen.”

“Alsof er lucht tussen de vlokjes blijft zitten”.

“Ja. Maar als je er op stapt, plakt ze enorm.”

“Klopt,” zei ik. “En ze doet me aan iets denken. Eerst dacht ik aan rijstvlokken, maar ’t is toch iets anders. Maar ik kom er maar niet op.”

Zucht, taalarmoede dus. Weeral. En ik heb daar een hekel aan, aan de dingen niet exact te kunnen benoemen.

En waarvoor ik mijn broer dus wou bellen, was om hem te waarschuwen voor die euh, hopen sneeuw. Nu ja, niet echt hopen, maar meer zoiets als ‘sneeuwbanken’. ‘Sneeuwduinen’, hoorde ik later nog in het nieuws. Het was mij onbekend, maar dit is wel het goede woord. Vanop de velden werd de sneeuw over de grachten en rijweg heengeblazen tot er heuse bunkers van sneeuw op wegen en in grachten groeiden. Ik had er wel een foto van willen nemen, maar we zijn ons fototoestel kwijt. Gelukkig zijn er op het net altijd andere mensen die hetzelfde fotograferen: deze foto is exact hoe de wegen er rondom ons huis uitzagen: bijna blootgewaaide velden aan de ene zijde, en uitgewaaierde sneeuwbanken aan de andere zijde, alsof de sneeuw als ijsschotsen op drift was geraakt. Veel mensen moesten hun auto noodgedwongen voor de sneeuwbank laten staan en konden alleen nog te voet naar hun huis. Alleen dankzij het geploeter van de traktoren van de boeren rondomrond konden wij mits enige omzichtigheid over enkele van die sneeuwduinen heen naar ons huis. Een winter uit de boekskes van vroeger: meer van dat!

En deze morgen, toen ik rond 6u de bieten voor de schapen stond te hakken (met dank aan de fantastische uitvinding werk-gezin-combinatie) en het buitenlicht daarbij even aanfloepte, zag ik in die ongewone, gekristalliseerde, losse en alle kleurtjes van de regenboog reflecterende sneeuw plots het woord dat gisteren maar niet wou komen: badschuim! Het heeft gewoon badschuim gesneeuwd!

Read Full Post »

Taalarmoede in de tuin

Terwijl ik gisteren in de tuin en op straat achter de kip van het buurmeisje aanrende (ze was niet thuis, en het beest heeft de voorbije dagen al een meer dan aanvaardbare interesse voor de zaden in mijn moestuintje aan de dag gelegd), betrapte ik me erop dat ik in gedachten in mijn dialect aan het vervallen was (‘kieken, kom-ier’, of ‘aj moa nie peist da je m’n groensels krigt’).

Tuinieren in de tijd van mijn ouders en grootouders was toch nogal wat anders. Een tuin, bijvoorbeeld, bestond niet. Dat was den of. En in den hof had je dan de pelouze (of ook wel simpeler: ‘t ges). Naast de peloeze lag de lochtink. Dat is dan weer de moestuin. En waar moestuin nog snoezig en zacht klinkt, krijg je met een woord als lochtink toch al meer waar voor je geld. In een moestuin snoezel je nog een beetje tussen de groenten, maar in een lochtink wordt dul gewrocht.

Mijn grootvader wapende zich met spoa, kortwaogn en oakers om er de pisseblommn uit te trekken, ondertussen oppassend dat hij niet getingeld werd. Hij wroette uren lang, zodat mijn grootmoeder groensels had, en petattn met de pele kon maken, liefst op smaak gebracht met een beetje perselle en goe beuter van de koebjeesten. Soms zou mijn grootvader even met de ellebogen op zijn spoa rusten, zijn klakke van zijn hoofd doen, en met een grote zakdoek het zweet van zijn hoofd wissen. Turend naar de hemel zou hij een fel zonlicht zien, dat alle bomen oranje doet oplichten, terwijl in de verte donkere wolken gloren. Dan zou hij in zichzelf mompelen dat het ‘nen blek voor ne lek’ is. En als na het blekken van de zon effectief het lekken van de hemel begon, dan zou hij naar binnen gaan en tegen mijn grootmoeder zeggen: ”t goat een mollenjoenk spugen‘. (en als het nog harder regende, dan zou mijn grootmoeder zeggen: ”t regent stroent met akskes‘.)

Als de vloage voorbij was, zou hij terug naar buiten gaan, om te zien of er veel tettinks waren bovengekomen, en of er nog pimpampoentjes op de slutserwéten zaten. Misschien zou hij zich dan even zetten te rusten op de zulle, terwijl een flieflodder ook van de warmte in de stenen kwam genieten en djoenges katjeduuk speelden bachten de haag. En misschien zou hij dan ook ontdekken dat de kiekens uit hun kot waren gebroken, en zou hij net als ik vloeken dat het veel te rappe duvels zijn. Want gevangen heb ik het niet, dat kipje van het buurmeisje. Dat wordt een eitje minder deze morgen…

Read Full Post »