Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for januari, 2011

Loresoep

Ik had gewild dat het er wat smakelijker uit zag, maar zo snelsnel een foto nemen terwijl je voor 8 personen aan het opdienen bent, is duidelijk niet aan mij besteed. Bovendien is het blijkbaar een beetje aan de morsige kant geserveerd, maar daar is nu dus niets meer aan te doen…

Het is eigenlijk ook jammer dat ik jullie het recept ga geven van deze soep zonder dat je hem eerst geproefd hebt. Keer op keer is het een voltreffer op feestjes waarbij het voltallige bezoek probeert te raden wat erin zit, zonder dat iemand daar ooit in slaagt. Eens je het weet, proef je het heel gemakkelijk en vraag je je af of het nu niet heel doorzichtig is. Niet dus. Hieronder de ingrediënten (en ook al geen commentaar op foto 2 want die is ’s morgens bij dampkaplicht genomen terwijl er nog een hele rits etenswaren stond te wachten om voor 11 uur tot hoofdschotel, dessert, pastinaakpureeroosjes enz. verwerkt te worden…)

Ingrediënten:

Bereiding:

Stoof 2 groene appels (bij voorkeur Granny Smith) en 2 uien in wat boter. Voeg er 2 koffielepels curry aan toe. Mix.

Doe er een liter water, 250 ml kokosmelk en 2 groentebouillonblokjes bij.

Serveer met (blad)peterselie.

Klaar.

Bij de soep serveerde ik focaccia (en deze foto mag je wel afbreken, want daar heb ik wel mijn best voor gedaan ;-)). Daar bestaan veel recepten voor, maar ik maak gewoon het deeg voor een halve kilo wit brood, maar wel aan de natte kant omdat je het achteraf zo plat uitrolt. Na de eerste keer rijzen dus platrollen tot 1cm en met je vingers putjes in duwen. Bestrijken met olijfolie en kruiden naar smaak (bij mij rozemarijn, tijm, oregano en zeezout). Na de tweede keer rijzen opnieuw putten in duwen, want die rijzen er wel enigszins uit en zo duw je de smaken van de kruiden opnieuw in het deeg. Heel kort bakken op 220 graden (een kwartiertje ofzo, tot de bovenkant licht bruin is).

Gewoon eens proberen, die soep. En er dan een schone foto van nemen 🙂

Read Full Post »

Als zoontje onderdeappelboom zo’n dingen zegt, heb ik op slag geen gedichtendag meer nodig. Hij stond op dat ogenblik door het raam naar buiten te kijken, speurend langs het binnentuintje, en net als zijn mama vaststellend dat wachten op bloemen heel lang kan duren.

fMaar zijn ‘treuzelen’ sloeg niet zozeer op het feit dat de bloemen niet kwamen, als wel op het feit dat ze er al een heel klein beetje zijn. Hier en daar. En in knop. Maar aanwezig. Heeeeeeeeeeeel langzaam hun kopje tonend. En niet veel later stonden we samen buiten te juichen omdat er toch al heel wat bloei onder het blad van de helleborus tevoorschijn kwam.

Eigenlijk zijn de helleborussen nog vroeger dan de sneeuwklokjes. En groter. En daarom beter zichtbaar. Het eerste lentegevoel begint bij ons dus steevast met de helleborus. Vooral de witte is er altijd heel vroeg bij, en het is zaaks de bladeren weg te snijden vooraleer die de bloemetjes doen rotten.

En zo ziet die kaalgeplukte helleborus er dan uiteindelijk uit. Hij zal snel groter worden en staan stralen in het binnentuintje. En ja, die bladeren kan je eigenlijk wel dichter bij de grond en dus properder wegknippen, maar het was verdikke koud en mijn patatten waren aan het overkoken…

Read Full Post »

Het werd al aangekondigd: vandaag is gedichtendag! Ook hier gaat die dag niet voorbij zonder dat er een extra gedichtje wordt gelezen. En omdat Afrikaans eigenlijk ook Nederlands is, krijg je een zuid-afrikaans gedicht voorgeschoteld. Dat zal wel lukken om te lezen – gewoon denken dat het dialect is.
.
.
Die wêreld is ons woning nie.
Dit merk ek aan die son wat wyk,
en ‘k merk dit aan die reier wat
mistroostig na die son sit kyk
op een been, in die biesievlei.
En is die laaste strale weg,
dan rys ’n koue op uit die vlei.
’n Koue gril deurhuiwer my;
en ‘k sien dit dan in alle ding
wat in die skemer my omring:
die wêreld is ons woning nie.
.
Die wêreld is ons woning nie.
Dit sien ek as die bloedrooi maan
van agter veldstof opgegaan,
nog net die kerk se dak bestryk,
vanwaar ’n uil, misterie-stom,
sit na die maan se skyf en kyk.
En nou dit stil word op die straat,
dink ek hoedat die middag laat
’n lykstoet daar het uitgekom
waar nou die maan en uil ontmoet.
En ‘k merk dit dan aan alle ding
wat in die aandstond my omring:
die wêreld is ons woning nie.
.
Die wêreld is ons woning nie.
Dit voel ek as die wind ontwaak,
as die eikebome knars en kraak;
dit hoor ek in die fladdering
van voëltjies wat hul vlerke slaan
teen die verwarde boomtakke aan.
En as ek nader kom, dan vind
ek by die maan se wisselstraal
’n nes vol kleintjies deur die wind
omlaaggeslinger, dood, verplet.
Ek voel dit dan aan alle ding
wat in die nagstond my omring:
die wêreld is ons woning nie.
.
Totius (1877-1953)

Read Full Post »

Neef uit Engeland won het kookboekje ‘De Brooddoos’ en schrijft me:

“Zoals beloofd, een verslagje van m’n eerste brood versiersel! Ik heb voor m’n eerste experiment ‘Spread van makreel en mascarpone’ gekozen. De ingrediënten waren:

250g mascarpone
2 el citroensap
5 el water
500g gerookte makreelfilet
1 tl harissa
1 stengel groene selderij
1 bosje bieslook
peper en zout

Dat waren weliswaar niet de ingrediënten die ik uiteindelijk gebruikt heb. Gerookte makreel kon ik hier niet vinden dus heb ik maar gerookte schelvis genomen (is trouwens heel erg lekker gebraden !). 2 el citroensap vind ik maar een domme maat dus heb ik er het sap van een hele citroen in gekapt. Bieslook had ik buiten staan maar het was te slecht weer om naar buiten te gaan dus heb ik peterselie genomen die in m’n keuken staat.

Zoals je op m’n foto kan zien heb ik dat dik gesmeerd op een verse snee bruin brood (multi-corn, uit België uiteraard !). Heeft me ferm gesmaakt!

De volgende keer zal ik een salsa maken.

Nogmaals bedankt!

Neef uit Engeland”

Read Full Post »

Stik!

Er waart een spook door blogland. Het spook van de naaihobby.

 

Niet dat het een kwaad spook is hoor. Eerder een type Casper the friendly ghost. Of nog gezelliger: the canterbury ghost, het meest hilarische spook ooit beschreven (van Oscar Wilde natuurlijk).  Maar kom, daarmee lijk ik te zeggen dat ik de naaihobby hilarisch vind, en dat is allesbehalve het geval. Ik lees wel graag eens zo’n stukje bij Mme Zsazsa. Of bij Natuurlijk-Rijk, nu de arme man zijn blog regelmatig eens gekaapt wordt door zijn creatieve wederhelft. De absolute naaihype van heden ten dage gaat echter wel aan mij voorbij. Ik wil in staat zijn zelf mijn gordijnen en een rokje te maken, zoals ik het mijn plicht vind te weten hoe je een lekkende kraan repareert of een voederplank maakt (ahum voor dat laatste…). Meer is dat niet.

Hoewel ik dan toch moet toegeven dat zo’n zoemende naaimachine toch een soortgelijke sfeer met zich meebrengt als de geur van pruttelende confituurpotten of vroege zomers vol erwtjes doppen.  Met andere woorden: het ligt uiteindelijk toch in de lijn van doe-het-zelf, van kringloop en ecologie, en misschien bovenal van jeugdherinneringen. Dus je ziet, ook al had je het niet verwacht: je hebt weer een stukje uit de reeks “Waar komt het vandaan?’ aan je been 😉

Het linnen hangt nu zwaar op mijn schoot en de patronen in mijn gedachten vervagen. Mijn handen op de stof zijn de handen van Irina, waarop ik uren kon staan kijken terwijl ze poppenkleren voor me maakte of een bloes voor zichzelf herstelde. Met dwingende hand leidde ze de stof onder de zwoegende naainaald heen en gebood het garen tot messcherpe zomen en geometrisch plissé. Ik volgde de bolle aders van haar hand, meanderend onder haar huid of haakte mijn blik in de kloven van haar vingers, gepolijst met liters schoonmaakazijn en emmers zwarte zeep.
Als ze mijn blik op haar handen voelde, glimlachte ze een zucht naar buiten, zo vluchtig als haar glimlach zelf.
“Ja, kind,” zei ze dan, “dat zijn nu de lelijke handen van een oude vrouw,” terwijl ze haar handpalmen naar boven draaide en er de kloven voor het eerst leek te zien.
Ik wist dat ze een verleden zag waar ze mij maar zelden toegang tot gaf. Misschien zag ze haar echtgenoot. Haar moeder of haar kinderen?…. Het was een gedachtegang waar ze zelfs zichzelf geen toegang tot gaf.
“Kom kind,” doorbrak ze dan haar gepeins, terwijl ze de naaimachine al liet ronken. “We moeten niet zitten dromen. Neem iets om je bezig te houden en kom bij me zitten.”
Terwijl ze de eerste steek alweer in het linnen liet ploffen, grabbelde ik mijn tekendoos bijéén en klom op een stoel die ik niet dicht genoeg bij haar kon schuiven. Me verliezend in de eindeloze landschappen op mijn blad, en af en toe weer opkijkend naar die dwingende, ruwe handen zag ik hoe een bloesje uit de stof groeide, het linnen langzaam gedwongen werd in de rol van een gordijn.
Voor elke hoek perste ze haar lippen op elkaar, loste de klem, draaide de stof, klemde opnieuw en stikte weer verder. In deze georchestreerde symfonie van zigzagsteek en honingraat was de naald de metronoom van haar gemoed: genadeloos vooruit als haar ergernis de kop op stak, aarzelend vastlopend als haar angst de overhand nam.
Soms liet ze het linnen een ogenblik zakken. Dan werd de rug even gerecht, de schouders naar achter gedwongen. Dan boog ik diep over mijn kleurpotloden heen en hoopte onzichtbaar te zijn. In de grootst mogelijke concentratie raspte ik mijn potloden over het vlakke landschap heen en wreef met trillende vinger een gloeiende zonsopgang uit het mul boven mijn blad. Eerst maakte ik de zon goudgeel en wreef haar stralen tot in de hoeken van mijn blad. Dan nam ik blauw dat met de randen van het geel versmolt. Pas daarna kwamen wilde spatten rood die naargelang mijn zin in raspen het landschap deden opbollen van romantiek of het de mistige sfeer van nakend onheil gaven. In de poriën van mijn vinger en op alles wat ik aanraakte verschenen vele uren later nog talrijke zonsopgangen, eerst vooral rood, dan steeds blauwer, en uiteindelijk enkel geel.
Dan bleven Irina’s handen even rusten in haar schoot en keek ze naar een punt rechts onder het tafelblad. Misschien ook streek ze toen een lok uit haar gezicht. Zo eentje dat steeds maar weer in je mondhoek kruipt en dan met zijn natte puntje tegen je wang blijft hangen.
“Niet te temmen”, prevelde ze dan, terwijl ze tussen haar lippen het speldje klemde waarmee ze elke ochtend weer de orde van haar lokken afdwong.
Toen ze eens had gemerkt hoe ik van diep onder mijn wenkbrauwen heimelijk naar haar keek, was ze mysterieus voorovergebogen en fluisterde gewichtig: “Het zijn de krullen van het Spaanse bloed.” Ik durfde mijn potlood niet loslaten uit angst de betovering te breken en voelde hoe een kramp zich in de zijkant van mijn hand had vastgezet.
“Er was een min, uit de tijd van mijn grootouders, die met een adellijke familie uit Spanje is gekomen en die nooit heeft mogen bekennen dat haar kinderen die van de landheer waren. Onze krullen zijn zijn krullen.”
In gedachten zag ik een grote volksverhuizing langs de dreef passeren op een golf van Spaanse kragen, met op de boerenwagen achteraan een min zo bleek als mijn tekenpapier en met een buik zo dik als die van André.
“Of misschien”, knipoogde Irina toen, “was het gewoon een negermeisje met kroezelhaar waaraan mijn grootvader niet heeft kunnen weerstaan.” En dan lachte ze met in gedachten misschien de liefhebbende klap op de kont die haar grootvader haar grootmoeder gaf.
Toen mijn zon met voldoende gloed was opgekomen nam ik mijn zwarte stift en tekende naast een boom het silhouet van twee figuren op mijn blad. En op hun hoofd verscheen een haardos vol krullen, zo springerig als de veren van het bed in de logeerkamer waarin ik onmogelijk op mijn buik kon liggen zonder het gevoel te hebben dat mijn hielen weldra mijn achterhoofd zouden raken.
Met haar klaterende lach nog in de lucht hees ze het linnen met een onbedoelde streling van haar dij terug op haar schoot en liet de naald zo snel als ze kon weer ongenadig door de stof heen ploegen.

Luttele ogenblikken nadat ik bovenstaande foto nam en opnieuw begon te stikken, galmde een enorme klap door de machine. Nu vier uren, enkele schroevendraaiers, een langebektang, en heel wat gepruts aan alle hendeltjes later zit de naald nog steeds muurvast in de spoel en krijg ik mijn gordijn er dus ook met geen mogelijkheid uit. Tot zover mijn kunde…

Read Full Post »

Toen ik dit weekend de draad van de moestuin los vees van de paaltjes en vervolgens uit het wildgegroeide gras probeerde te trekken, mocht ik het al ervaren: dat gaat niet meer zoals in zwangerloze tijden. Meneer onderdeappelboom had mij al een hele tijd geleden gezegd dat ik het wat rustiger aan zou moeten doen, en tot mijn spijt ervaar ik dat ik mijn plannen inderdaad wat ga moeten temperen. Versta me niet verkeerd: we zijn verschrikkelijk dankbaar voor deze zwangerschap, weten maar al te goed dat het ook moeilijk kan gaan, genieten van de eerste schopjes enz. enz. Maar laat ons ook eerlijk zijn: het is een pak aangenamer om een tomeloos vat vol energie te zijn dan een immobiel nijlpaard dat bij de minste inspanning hijgt als een vieze oude vent die op een schone matroesjka loopt. Dit gezegd zijnde: een nijlpaard zal ik wezen, maar de tuin laat ik niet schieten. Conclusie: plannen aanpassen.

Tijdens de zwangerschap van de oudste twee onderdeappelboompjes stond ik nog niet voor dit probleem. De tuin bestond toen nog uit een lap grauwe aarde doorploegd met bulldozers en betonmolens. Ook tijdens het eerste levensjaar van de kindjes groeide alleen nog maar wild, penig gras in de tuin, in die mate on-kindvriendelijk dat de onderdeappelboompjes zelfs angstig terug op onze schoot kropen toen ze op éénjarige leeftijd voor het eerst hun voetjes op gras zetten in de tuin van oma onderdeappelboom. Maar kijk, dat is op amper twee jaar tijd toch ook allemaal goed gekomen.

Door dit alles weet ik nu ook des te beter wat ik die eerste zomers gemist heb, en nu zeker wèl wil hebben. Zijnde:

1. Hoekjes in de tuin.

Niet alleen een tafel op het terras, maar ook een plekje onder een boom en een ligzetel in de luwte. Dat alles wil ik niet verhuizen, en het moet bovendien van een kwaliteit zijn die ’s nachts mag blijven buiten staan, want je zeult al genoeg met tassen en baby en maxicosi die eerste maanden. Je wil dus overal wel een tafeltje en een stoel, zowel voor jezelf als voor het vermoedelijk te ontvangen bezoek (hoewel, dat schijnt bij een derde nogal tegen te vallen, en afgaande op hoe vaak men ons al gevraagd heeft “is het gewenst?”, zal het een zeer stille zomer worden ;-))

Oplossing: naar de weba en daar profiteren van toonzaalaanbiedingen en solden (en ze hebben daar fsc-hout): gebeurd!

2. Gezelligheid in de tuin

Nu ga ik eindelijk eens 3 maanden thuis zijn in de zomer, dus dan wil ik ook van de tuin kunnen genieten. Normaal zou ik dit aspect te lijf gaan met de aanleg van bordertjes, het toevoegen van planten, enz. maar we moeten dus naar arbeidsarme tuinverbeteringen op zoek gaan, en daar is het soms gewoon een kwestie van prulletjes kopen: een toffe gieter, wat extra terracotta potten, een vogelbad, … het zijn kleinigheden (op de grens van kitch, ik weet het) die de gezelligheid soms compleet maken.

Oplossing: de rommelmarkt. Ik kijk er naar uit!

3. Bloemen

Verstandig zijn: geen dingen meer aanleggen waarvoor je je moet bukken, maar zoveel mogelijk in potten kweken. En dan eenjarigen kopen die weinig zorg en wieden vragen. Die potten kan je ook op de verschillende tafeltjes in de tuin zetten, en da’s zowel voor mens als dier een extra vreugde.

Oplossing: plantjes kopen in de Aveve, want daar staat alles mooi op heuphoogte en moet er dus niet hijgend gebukt en rechtgestrompeld worden. Nog even wachten tot het lente is!

4. Borders

Sja, een mens moet zichzelf nu ook niet gaan verloochenen hé? 🙂 Natuurlijk ga ik toch nog een extra bloemenstrook aanplanten! Maar dat ga ik wel gematigd proberen doen: geen immense soortenrijkdom, maar een beperkt aantal insectenlokkende planten die we nu nog niet hebben en die ik online ga aankopen (geen voorjaarsgedrang van een mensenmassa in een plantenzaak, geen gesleur met potten naar de auto, enz.). Enkele zomerbollen ter aanvulling van de vorige ga ik gewoon bij bakker kopen (als iemand de gratis eend met lichtgevende kuikens die ik daarbij ga krijgen wil overnemen, geef vooral een seintje ;-)), maar voor de vaste planten ga ik dit keer integraal voor vivara. Je kunt er momenteel nog geen bloemen bestellen, maar ik kan het toch niet laten om alvast in mijn hoofd mijn winkelwagentje samen te stellen.

5. Brave kindertjes

Sja, we hopen natuurlijk op een mooie zomer met gelukkige kindertjes. Daarom bestaan de tuinplannen dit keer ook uit de aankoop van een echte schommel en een groter zwembadje. Eenvoudig maar effectief.

 

Conclusie: zwangere tuinplannen zijn blijkbaar tuinplannen die een beetje neerkomen op het aankopen van kant- en klare spullen, maar ik heb er toch een goed oog in dat het de tuin gezelliger zal maken èn dat ik het dan tenminste nog zelf zal kunnen uitvoeren ook komende voorjaar – – ook een nijlpaard heeft zijn trots :-).

Read Full Post »

Toen ik bij Annetanne las dat haar toverhazelaar op één week van ‘nauwelijks knop’ naar ‘bloeiende heester’ was gegaan, verdacht ik er haar heimelijk van dat ze haar plant in een serre had gezet, compleet met verwarming en al. Maar toen ik deze middag onze eigen hamamelis ging checken, stelde ik exact hetzelfde vast:

De geur alleen al zou ons een lentegevoel bezorgd hebben, maar gelukkig was ook het weer aan onze kant. De tweede zon-dag op rij al die z’n naam waarmaakt; 2011 kan al bijna niet meer stuk!

Van die behaaglijke zon werd geprofiteerd om een eerste voorjaarswerkje aan te pakken.

Tegen de paaltjes komt later dit voorjaar nog een andere, kastanjehouten omheining. De draad die ik ervan afhaalde werd gebruikt om hier en daar wat herstelwerk in de omheining van de schapenweide uit te voeren, want onze soays hebben de smaak van het ontsnappen (en onze bessenstruiken) ondertussen beet.

Binnen in huis was eerder al een beetje schoonmaak gehouden. Behalve de kerstversiering werd ook mijn ‘cyclamen’ verwijderd. Als je dat koopt ziet dat er zo uit, maar als dat een half jaar in mijn handen vertoeft, ziet het er al gauw zo uit:

Met andere woorden: ik ben een ramp met kamerplanten. Gelukkig betekent dit voor de cyclamen nog het einde niet. Door hem gewoon op zijn kant in een donker hoekje van de tuin te leggen, krijg je hem er meestal wel weer bovenop. Gewoon negeren, en na een maand of twee zal je mooie frisse blaadjes zien komen. Dit keer heb ik hem echter gewoon uitgeplant onder de bomen. Hopelijk slaat het aan.

En dan is de namiddag weer om en krijgt alles een mistig jaren 60-sfeertje.

Dan zitten de kinderen verstopt achter de schuur waar ze eikeltjes rapen en stenen verzamelen. Ze praten over eekhoorntjes en papa’s zandbak en moeten weten wanneer er weer eten in mama’s groentetuin gaat groeien. We horen hen herhaaldelijk roepen tegen elkaar hoe leuk het wel is. Ze juichen als de zon komt, vragen naar ‘de waterzon’, zien elk vliegtuig dat passeert en bestuderen vol vreugde de maan. En al moesten we hen om 14u nog een duwtje in de rug geven om buiten te komen, dan kregen we ze tegen 17u al bijna niet meer naar binnen.

En dan vraagt mevrouw onderdeappelboom zich toch af: is het daarvoor dat we het eigenlijk allemaal doen? Voor de sfeer die Bart in dit citaat en foto al eens vatte (behalve dat het vandaag nog geen zomer is)? Doen we het echt allemaal voor de natuur, of zouden we zonder kinderen eigenlijk minder moeite doen voor de tuin?

Read Full Post »

Older Posts »